Honderd vinkachtigen

Barmsijs en putter, © K. Dijksterhuis

Ons huisje op Schiermonnikoog fungeert als vogelkijkhut. Door de elzensingel zwermen zangvogels. Ze negeren de vetbollen en pinda’s. Ze proberen de laatste zaden in de elzenproppen te vinden en strijken op gezette tijden (tien uur ’s morgens en vier uur ’s middags) neer op het gras achter het huis. Het zijn er een stuk of honderd. Eerst zien we putters, tientallen putters, fladderend tonen ze hun gele vleugelstrepen. Ze hippen door het gras, hun rode snoeten zijn goed te zien. Dan arriveert een dozijn vinken. De vinken zijn iets groter. Hee, wat zit daar? Een bruine met vurig voorhoofd. Een barmsijs! En nog één, en twee daar. Boven in een els landt een nieuw groepje. Ze zijn geel, al zijn sommige geler dan andere. Dat zijn de mannetjes. Sijzen. En een paar kepen. Wat een prachtig gemengd gezelschap van vinkachtigen. Putters, vinken, sijzen en barmsijzen schuimen het grasveld af. De sneeuw is gesmolten, er zal vers onkruid en graszaad aan het licht komen. De vogels hippen, maar soms scheert er één over zijn voorgangers heen om vooraan te komen. Een enkele keer vliegt een vogel naar de bosrand, terwijl de rest blijft hippen, tot vlak onder het raam. Regelmatig ook snort de hele club in één beweging de bosjes in. Meestal is het loos alarm en keren ze gauw terug. We zetten onze oren wijd open en horen vlak voor zo’n groepsvlucht een alarmroepje, dat we voor de éénpersoonsvluchtjes niet horen.

De kepen blijven in de boom. En de groenlingen, eveneens vinkachtige zaadeters, houden zich buiten de groep. Gevieren werpen zij zich op de vetbollen en pinda’s.