Hommels

Aardhommel in crocus, Foto Jeanette Essink

Op de drie koude weken na, gingen hommels afgelopen winter nauwelijks in winterslaap. Een hommelkoningin kan bij een paar graden al vliegen. Hommels kunnen beter tegen kou dan bijen. Ze zijn groter en koelen daardoor minder snel af. En ze hebben een vacht van wat heb ik jou daar. Ze kunnen zich bovendien zo nodig warm klapperen met hun borstspieren.

Werksters zijn minder koudebestendig dan koninginnen. Werksters zijn er ook nog niet. Complete hommelvolken gaan dood in de herfst. Een nieuwe generatie koninginnen blijft achter, elk in hun eigen nest. In de vroege lente gaan ze op zoek naar een nieuwe plek voor een eigen nest. Het oude nest zou een enorme voorjaarsschoonmaak vereisen – al die uitwerpselen en andere troep zouden parasieten kunnen huisvesten.

Een nieuw nest wordt ingericht met twee voorraadkastjes stuifmeel, gewonnen uit vroege lentebloemen. Eén voorraadje is voor haarzelf, op het andere kleit ze een stuk of tien wiegjes van was die ze uit een klier in haar achterwerk tapt. Het geheel zit in een gezellige bol van een centimeter of vier, gemaakt van stukjes plant. Een hommel heeft krachtige kaken, waarmee ze plantendelen opknipt. Ze kan er ook gaatjes mee bijten in bloemen die te diep zijn voor haar lange lebbertong. Dan breekt ze van opzij in.

Ze legt een ei in ieder wiegje, dat na een dag of vier uitkomt. Ze verzamelt voedsel voor de larven. Die vervellen een paar keer tot ze zich verpoppen en na een paar weken als hommelwerkster verschijnen. Dan richten ze hun verlaten wiegje in als nieuwe voorraadkast en gaan ze nieuwe voorraden halen voor de nieuwe generatie die inmiddels al in wording is.