Hommel aan zee

Aardhommel. Foto Koos Dijksterhuis
Aardhommel. Foto Koos Dijksterhuis

Als zoon en ik op de oostpunt van Schiermonnikoog onze broodjes eten, landt er een enorme aardhommel op mijn rugzakje. Gezien de omvang is het een vrouwtje. Wat moet zo’n insect hier? Kilometers van het dichtstbijzijnde zoete water, kilometers van de dichtstbijzijnde bloem. Ze draait en scharrelt ongemakkelijk onder de last van wriemelende mijten.

Hommels hebben vaak mijten. Die maken hun gastvrouw niet dood, maar moeten even akelig voor hommels zijn als de op Schier talrijke steekvliegen voor ons. Zou de hommel met de zuidoostenwind in de rug uit Groningen zijn komen vliegen? Nee, we zagen haar uit het westen naderen, tegen de wind in. Wij moeten als enige verticale object in de wijde omtrek een onstuitbare aantrekkingskracht op haar hebben uitgeoefend. Wij? Mijn rugzakje vooral. En wel het hengseltje bovenaan. We lopen zo terug, ik wil haar best een lift geven naar de begroeide wereld, alleen niet in mijn nek. Maar telkens als ik haar naar een minder opdringerige plek op het rugzakje dirigeer, stuntelt ze draaierig maar vastberaden terug naar dat hengseltje. Ook als het hengsel niet naar boven uitsteekt maar juist tegen het zand ligt, blijft het voor haar de plek waar ze wezen moet.

Zo’n onbeholpen stuntelaar op de zinderend hete strandvlakte, omgeven door zand, zee en zout. Uitgeput van kilometers tegen de wind in vliegen. Geplaagd door niet af te schudden, zuigende mijten. Dit wordt haar dood. Moeten we haar uit haar lijden verlossen en haar doodslaan? Kunnen wij voor een hommel beslissen of het lijden ondraaglijk is? Nog één keer drijf ik haar weg van het hengseltje. Genoeg! Ze steekt haar trilvleugels uit en zoemt de zee op, richting Rottum.

(Natuurdagboek Trouw maandag 28 juli 2014)