Het gaat niet om de soort

Gewone zeehond. Foto Rob Buiter

In de zaterdagkrant stond vorige week een mooi verslag over een opvangcentrum voor zielige dieren. ‘Elk diertje telt’, schreef Cyriel van Rossum, terwijl hij dode muizen en kuikentjes sorteert als voer voor bosuil en torenvalk. Onze dierenliefde is selectief. Muizen, kikkers, vissen mogen dood, we voeren ze onbekommerd aan ooievaars, fretten en zeehonden. We hebben een liefdeshierarchie: eerst onszelf, onze kinderen en familie, dan vrienden en andere mensen, vervolgens op ons lijkende dieren en huisdieren en dan steeds minder aan ons verwante diersoorten. Insecten sluiten de rij, behalve dagvlinders en lieveheersbeestjes.

Van Rossum vraagt zich af waarom mensen dieren redden. Niet voor de natuur, meent hij, want ‘als een vogel te zwak is om op eigen kracht te overleven, te traag om uit de klauwen van een kat te blijven, is hij een drop out van het onverbiddelijke selectieproces dat de soort sterk moet houden.’ Los van de vraag of huiskatten natuurlijk zijn, is het een oud misverstand dat soms nog opduikt: dat zwakke individuen dood gaan omdat dat nodig is voor de overleving van de soort. Maar bij natuurlijke selectiedruk op individuen speelt de overleving van de soort geen rol.

Als wij zieke zeehonden telkens oplappen en uitzetten, houden we die zwakke dieren in leven. Als zij zich voortplanten, kan de populatie gemiddeld iets zwakker worden. Maar de fitte zeehonden zelf worden er niet zwakker van. Die zwemmen onbekommerd rond, terwijl de zwakke dieren verkommeren of opnieuw worden opgevangen en opgelapt. Een populatie antilopen  kan geleidelijk aan sneller worden, omdat trage individuen minder overlevingskans hebben en zich minder voortplanten. Dat heet evolutie. Een snellere soort is het onbedoelde gevolg van het succes van snellere individuen. Een soort is niet eens een afgebakende eenheid, want soorten veranderen en ontstaan uit andere soorten. En als alles om de soort zou gaan, waarom dan niet om de familie, de stam, het dorp, het volk, de populatie?

De natuur zit vol wedlopen. De snelle antilope heeft een grotere overlevingskans dan de trage. Antilopen doen dus een soort hardloopwedstrijd met elkaar. Mensen doen ook veel wedstrijden: hardlopen, wielrennen, scrabbelen en carrière maken. Willen wij winnen om onze soort beter te maken? Nee, en al zouden we dat willen, van het individuele winnen van loterijen, weddenschappen of hardloopwedstrijden wordt de mensheid niet beter.

Zo is het in de natuur ook. Alleen individuen zijn onderhevig aan natuurlijke selectie, of eigenlijk slechts hun genen. Wat de overlevingskansen van individuen vergroot, kan zelfs averechts uitpakken voor de soort. De sabeltandtijger kreeg steeds langere hoektanden, omdat een tijger met langere tanden grotere prooidieren kon smoren dan zijn buurman. De langtand kon meer jongen grootbrengen, die zijn lange tanden erfden. Toen in de laatste ijstijd de grootste prooidieren uitstierven, bleken sabeltandtijgers geen kleinere prooien meer te kunnen doden. De soort ging ten onder aan het succes van zijn individuen.

Door zielige zeehonden, egels, uilen, zwanen en duiven op te lappen, bewijzen we de natuur misschien geen dienst. Daar gaat het ook niet om, we helpen individueel dieren. Dat doen we om ons goed te voelen. De neiging anderen te helpen, zit aardig verankerd in onze moraal. Dat we onze naasten liever helpen dan de versten, dat het hemd nader is dan de rok, dat heeft vast te maken met genetische verwantschap. Hoe dan ook is het mooi dat we niet alleen maar wedstrijdjes houden, maar ook helpen. Zelfs dieren.