Het bloeiende landgoed

Vingerhelmbloem. Foto Koos Dijksterhuis
Vingerhelmbloem. Foto Koos Dijksterhuis

De lentezon lonkt en lokt me naar buiten. Eén van de grote voordelen van mijn natuurschrijvende huurlingschap is dat ik tijdens kantooruren een eind kan gaan wandelen en het nog werk noemen ook. Op deze zonnige middag werk ik in een plechtig landgoed van Staatsbosbeheer, met bejaarde beukenlanen, knoestige eiken, grazige bloemenweiden, tussen duinen doorkronkelende watertjes, lieflijke bruggetjes, priëlen en follies. Follies zijn nepgebouwen voor de sier. En het fraaie landhuis zelf, de poorthuizen, de orangerie.

Op landgoederen staan de eiken en beuken nog niet in blad. De zon streelt de bodem, waar stinzenplanten bloeien. Die zijn ooit geplant om in de vroege lente kleur aan het landgoed te geven, zijn verwilderd en geven nog altijd kleur. De sneeuwklokjes zijn uitgebloeid, de crocussen bijna, de narcissen bloeien nog. En overal golven paarse zeeën van vingerhelmbloemen. Aardhommelkoninginnen zijn gek op helmbloemen. Ze zoemen van bloem naar bloem om er de nectar uit te slobberen. Ik ben ook gek op helmbloemen, ik heb ze in mijn tuin. Ze wortelen nauwelijks, het lijkt of hun stengels los in het zand staan. Breekbare, slappe stengels zijn het. Toch kunnen ze veel hebben; als ik ze eens per ongeluk omver schoffel, zijn ze er het volgende jaar evengoed weer. Ik schoffel trouwens zelden, in mijn tuin survivalt de fittest.

Vingerhelmbloemen en de erop lijkende holwortels zijn familie van de papavers. Misschien zijn hommels er daarom wel zo gek op.

Overal bloeit speenkruid. En de bosanemonen leggen witte tapijten. Het klein hoefblad bloeit alweer bijna uit. Daslook staat in de knop, aronskelken staan in het blad, dwerghyacinthjes staan in bloei. Hemelsblauw zijn die. Hemelsleutels bloeien ook, maar dan geel. Sleutelbloemen heten ze eigenlijk.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 17 april 2015)