Herfstvlinders

Dagpauwoog en kleine vos, © Jeanette Essink

Als de zon schijnt, dwarrelen er op beschutte plekken nog steeds zomerse dagvlinders rond. Kleine vuurvlinders bijvoorbeeld houden het tot eind oktober vol als het weer het toelaat. Ook kleine vossen, atalanta’s, koolwitjes en dagpauwogen zijn nog te zien. Dagpauwogen zoeken nu schuilplaatsen op, om de winter in te doorstaan. Die schuilplaatsen moeten koel en vochtig zijn. In kelders, kruipruimten, schuren, holle bomen; overal kun je ze in slaapstand zien zitten. Op zolders drogen dagpauwogen uit, als de verwarming aanslaat.

Dagpauwogen komen overal in nederland voor, het zijn algemene vlinders en ze zijn groot en prachtig om te zien. Alleen in juni zijn ze zeldzaam. Dan is de oude garde dood en de nieuwe lichting in wording. Als rupsen knagen ze dan aan hun lievelingskost: brandnetels. Met tientallen kun je de rupsen op brandnetels zien zitten, zwart met kleine witte spikkeltjes. Jonge rupsen worden beschermd door een dakje van gesponnen draden, een soort spinrag.

Die brandnetels groeien aan de slootkant of op andere vochtige plaatsen. Brandnetels groeien ook op droge plekken, brandnetels doen het bijna overal wel, maar op andere groeiplaatsen hebben dagpauwogen minder belangstelling voor de plant. Daar zetten andere vlindersoorten hun eitjes af op brandnetels. Atalanta’s en kleine vossen zijn ook verzot op de schrijnende planten.

Rupsen van dagpauwogen zien er zeer stekelig uit, maar hun stekels steken niet, het zijn nepstekels die eventuele belagers niettemin kunnen afschrikken. De pauwenogen op hun vleugels zijn ook geen echte ogen. Die schrikken belagers alleen niet af, integendeel, ze lokken belagers juist. Die pikken dan tenminste niet meteen de vlinderkop eraf, maar alleen in de vleugel, waarna de vlinder nog kans heeft te vluchten.