Herfst op Schiermonnikoog

Watermunt, © K. Dijksterhuis

Op een winderige dag met felle buien en een nog fellere zon lopen we over Schiermonnikoog. We volgen de Reddingsweg, dat prachtige graspad door de rietvelden. Hier en daar bloeit een echte koekoeksbloem met die sprietige, roze bloemen. De verwilderde appels aan het eind van het pad hangen glimmend te lonken. Ze lijken op golden delicious, maar smaken melig. We slaan rechtsaf, volgen kort het Johannes de Jongpad, het schelpenpad naar de Kobbeduinen. We gaan dezelfde kant op, maar zoeken het Oude Wagenpad. Het moet ergens schuin naar links afbuigen van het schelpenpad. De schelpenbermen staan nog vol bloeiende parnassia en ogentroost. De duinen dragen oranje en rode sluiers van duindoorns, rozenbottels, lijsterbessen en meidoorns. De spreeuwen geven de voorkeur aan duindoorns. Met honderden, nee duizenden bevolken ze de doornige struiken. Bij het wildraster met wildrooster zien we een zijpaadje schuin naar links. Geen wagenspoor, maar een smal pad voor of van het vee. Ook hier worden tegenwoordig de onvermijdelijke koeien losgelaten. Op Schier zijn ze wel zo praktisch dat ze geen Hooglanders of andere decoratie-runderen aanvoeren, maar gewoon boerenkoeien laten grazen. Zo kunnen de boeren hun land vrijhouden voor kuilgras of maïs. Natuurbeheer in dienst van de intensieve landbouw. De Schiere veehouders zouden dat vee als streekproduct kunnen verpatsen. Het lijken me smaakvolle kwelderbiefstukken.

Over modderpoelen en koeienvlaaien springend volgen we koeienpaadjes die soms oplossen in zompig riet. De geur van munt waait overal rond – het watermunt bloeit intens lila. Vlak voor de Kobbeduinen slaan we linksaf en volgen we wat de laatste jaren als een paadje op de kaart staat. Het wordt struinen door riet en duindoorns, we halen natte voeten, schrammen en een frisse neus. De beste bewaker van de natuur zijn modder, doornstruiken en weerbarstig riet. Een blauwe kiekendief vliegt laag boven het riet. Waarschijnlijk speurt ze op de drogere en dunner begroeide plekken naar veldmuizen. Een boomvalk jakkert voorbij – sinds er haviken op het eiland broeden, broeden boomvalken er volgens mij niet meer. Deze is op doortrek. Hetzelfde geldt voor veel van de graspiepers die piepend opvliegen. Ook de tapuiten zijn op trek; fraaie zangvogels met een oranjeroze buik. Ze vallen op als ze vliegen, dankzij hun spierwitte stuit. In waterpoelen waden groenpootruiters en tureluurs. De groenpoten zijn groter en roepen ‘tuut-tuut-tuut’.

Eindelijk bereiken we de stuifdijk, de ooit door Rijkswaterstaat aangelegde duinenrij langs het strand. Die steken we over. Het strand is groen en nat. Er scharrelen bergeenden en strandlopers bij de plassen. De zee rolt woest tegen het strand aan, de vloed komt op tegen flarden stuifzand in. Een drieteenstrandloper waait weg, een rosse grutto houdt zich staande. Storm-, zilver-, kok- en mantelmeeuwen zeilen met een noodgang langs met de wind in de rug en onder de vleugels. We werpen blikken op alle meeuwen, in de hoop op kleine jagers, roofmeeuwen die op zee prooien van meeuwen proberen af te pakken. Eind september waait er nogal eens zo’n snelle jongen naar Schier. We zien er inderdaad één, maar later pas, boven de Waddenzee, achter de boot naar de wal.