Help de hommel

Aardhommel in krokus Foto Jeanette Essink
Aardhommel in krokus. Foto Jeanette Essink

Aardhommels vliegen rond. Ze dragen een vacht en zijn groot – zeker de toekomstige koninginnen. Omdat aardhommels zo groot en behaard zijn, kunnen ze tegen kou en zijn ze er altijd als eerste bij. Hommels krijgen het ook warm van vliegen, zoals wij mensen het warm krijgen van rennen. Maar voor dat vliegen hebben ze energie nodig: nectar. Daarom zijn vroeg bloeiende bloemen een uitkomst voor aardhommels. In mijn tuin, waar het nieuwe seizoen altijd traag op gang komt omdat er veel schaduw is, bloeien de eerste paardenbloemen, en verder sneeuwklokjes, krokussen, maagdenpalm en speenkruid. De bosanemonen staan in knop. Schoenlappersplanten heb ik niet, maar zouden als een van de vroegste bloeiers de hommels zeker van dienst zijn. Ook longkruid zou een goede zijn, maar doet het niet in mijn tuin.

Straks zijn die rondvliegende koninginnen de matriarch van een extended family van aardhommels. Ze vliegen niet zomaar wat rond; ze zoeken een geschikt holletje voor hun nest. Ze nestelen in spouwmuren, dakgoten, nestkasten, muizenholen en waar niet al. Toch zijn ze kieskeuriger dan deze opsomming suggereert – de meeste holten worden na uitgebreide inspectie afgekeurd. Ze zijn niet diep genoeg, ze zijn te warm of te koud. Je kunt aard- en andere hommels helpen door aftandse vogelnestkastjes in een verloren hoekje van de tuin te laten staan, of door een ondiepe kuil te graven van 30 bij 30 centimeter, daar twee bakstenen in te leggen met een tegel erop en dan weer zand erover. Een opening langs de tegel prikken en zie: een potentieel hommelhome.

Ik zie zoveel verharde tuinen met hooguit een pot violen met enorme bloemen. Die bloemen hebben een hommel net zoveel te bieden als plastic bloemen: niets. Ze zijn onvruchtbaar maar dat weten de hommels niet. Die vliegen erheen en komen van een koude kermis thuis.

In mijn tuin zijn er holletjes zat. Maar longkruid zal ik eens planten.

(Natuurdagboek Trouw maandag 14 maart ’22)