Heimelijk hoentje

Porseleinhoen, Foto Harvey van Diek

Vanuit een vogelhut kijk ik rond. Het uitzicht is weids en aan alle kanten zijn van dichtbij tot heinde en verre vogels te zien. Ganzen, eenden, zwanen, steltlopers, zilverreigers… De zon strijkt laag over water, schorren en vogels. Prachtig! Ik weet niet waar ik kijken moet, ik kijk overal. Overal? Nee, ineens beweegt iets aan de onderkant van mijn blikveld. En daar, een meter schuin onder me, scharrelt een klein hoentje te voorschijn. Hij stapt behoedzaam en geluidloos uit het riet onder een wilg tot recht onder me. Hij verdwijnt onder de hut, om een halve meter verder weer te verschijnen. Dan rent hij als een speer terug naar de geborgenheid van riet en wilg.

Het is een porseleinhoen. Porseleinhoenen lopen zo voorzichtig op hun tenen, dat ze er misschien hun naam aan danken. Ze horen bij de rallen, net als het waterhoentje. Qua houding, vorm en heimelijke tred lijken ze wel op waterhoentjes. Maar porseleinhoenen zijn niet zwart. Ze zijn grijs, met zwarte, bruingroene en witte vlekjes. Hun snavel is geel, met een rood toefje op de neus.

Ze zijn veel schuwer en veel zeldzamer dan waterhoentjes. Naar schatting broeden er enkele honderden paartjes in Nederland, maar misschien worden er koppels over het hoofd gezien. En anders hun nesten wel. Je krijgt porseleinhoenen bijna nooit te zien. Horen wil nog wel, vooral in rustige nachten in mei. Dan klinkt hun roep als een zweepslag uit het riet. Het geluid kan wel op twee kilometer afstand hoorbaar zijn. Ook nu kan zo’n beestje roepen, maar midden op de dag hoor ik hem niet. Ik wacht, maar hij stapt niet meer in beeld.