Heersbeest in zeven sloten

Foto Koos Dijksterhuis
Foto Koos Dijksterhuis

Rijdend in de auto zie ik door mijn ooghoek iets vliegen. Het is een lieve-heersbeestje. Ik had in huis ook een stel, die op zolder overwinterden en de weg naar buiten niet wisten terug te vinden. Dood. Dit lieve-heersbeestje leeft nog. Het landt op het raam naast mij. Het kruipt wat, zit stil, kruipt weer. Met één hand open ik het raampje. Het schuift naar beneden, het portier in. Het heersbeestje schuift mee en dreigt in de spleet vermorzeld te worden. Het is mooi weer, ik laat het raam op een kier. Het heersbeestje kruipt naar beneden. Neehee, niet daarheen! Op je vinger kruipen heersbeestjes altijd omhoog, maar nu omhoog kruipen noodzakelijk is, doet het heersbeestje het niet. Eindelijk kruipt het dan toch naar boven. Tergend langzaam nadert het de opening. Daar waait een bries, het kevertje klamp zich vast. Maar beter ook, ik rijd net door het drukke centrum van een stadje. Het heersbeest blijft zitten waar het zit. Dan kruipt het over de vensterrand naar voren en naar beneden. Het verdwijnt in de spleet, worstelt even en komt weer boven. Dan wandelt het beestje het dashboard op. Gevaarlijk terrein! Het is zwart en de zon schijnt erop door het raam. Warm en droog, daar houden heersbeestjes het niet lang uit. Toch beent hij vastberaden verder, als een uit de koers geraakte woestijnreiziger. Hemel, hij stevent recht op een ventilatierooster af, met gaten naar de krochten van het vooronder. Vrrrt, daar fladdert hij in een spiraal omhoog. Pok! Via mijn hoofd verdwijnt hij naast me naar beneden. Wat een brokkenpiloot. Ik ben er. Als ik uitstap, zit hij op mijn onderbeen. Hopla, de vrijheid in.