Hazen en konijnen

Hazenkeutels, © K. Dijksterhuis

De sneeuw maakt hazen en konijnen zichtbaar. Als ze er zijn tenminste, want hazen en konijnen zijn er minder dan ooit. Nou, da’s wel erg boud. Minder dan vijftig jaar geleden. Hazen zijn in het eentonige, grootschalige en soortenarme platteland geleidelijk in aantal afgenomen. De jaarlijkse jacht, ik heb de jagers alweer in linie de velden zien en horen uitkammen, doet de hazenstand ook geen goed. Konijnen hadden vooral te duchten van myxomatose en konijnengriep. De laatste tijd kwam ik op drie plekken konijnen tegen. Achter het huisje op Schiermonnikoog, in het Horsterwold bij Zeewolde en in het Groninger Stadspark. Op Schier wemelde het vroeger van de konijnen. Op een fietstochtje telde je er zomaar driehonderd. In de bijna-nacht zag je hun witte staartjes oplichten, als ze weghipten. Konijnen hielden de duinen grazig en het gras kort. Daar konden tapuiten insecten uit peuren. Konijnen en tapuiten zijn nu schaars, de duinen begroeid.

Hazen waren er ook op Schier. Hazen hielden de kwelder grazig en het gras kort. Ganzen eten kort gras. Zonder hazen zouden rotganzen in de kwelder geen eten aantreffen. Nu vinden ganzen en hazen overvloedig gras in de polder, als de weilanden niet tot maïsakker zijn gedegradeerd. Hazen zijn er nog steeds op het eiland. In de polder, op de kwelder, in de duinen en op het strand. Soms zie je een haas rennen, één haas, in februari begint het gezamenlijke gerommel en gerammel. Ook indirect kun je hazen waarnemen. Keutels! Ze zijn iets groter dan konijnenkeutels. Waar konijnen graag op vaste plekken poepen, werpen hazen een gestage stroom uitwerpselen uit. Die smelten elk een ondiep kuiltje in de sneeuw.