Groot langlijfje, kleine zweefvlieg

Langlijfje op bieslook. Foto Koos Dijksterhuis
Langlijfje op bieslook. Foto Koos Dijksterhuis

Zweefvliegen zijn vaak zwart-geel gestreept en zien er dan wespachtig uit. Dat houdt belagers buiten de deur, want wespen zijn alom gevreesd. Zweefvliegen zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun vliegtechniek. Ze kunnen op de plaats rust in de lucht hangen, met snorrende vleugels, om ineens een halve of hele meter weg te schieten. Zweefvliegen hebben geen angel en gedragen zich niet wespachtig. Ze hangen niet rond je flesje, ze zijn meer geïnteresseerd in bloemen. Zweefvliegen hebben twee vleugels, wespen vier. Ooit hadden zweefvliegen er ook vier, maar van twee zijn slechts stompjes over. Dat geldt voor alle vliegen en muggen, die samen de orde van tweevleugeligen oftewel diptera vormen.

Ik herinner me dat ik als kind wel wist dat zweefvliegen niet konden steken, maar dat ik ze toch liever niet op mijn hand liet zitten. Ik wist immers maar nooit! Dat imiteren van wespen werkt dus goed, zelfs als je weet dat het nep is.

In Nederland komen ruim driehonderd soorten zweefvliegen voor. Pyjamazweefvliegen zijn de talrijkste, denk ik. Pendelzweefvliegen, blinde bijen en enkele soorten bijvliegen zijn ook algemeen. Een iets minder algemeen, maar heel mooi zweefvliegje is het groot langlijfje. Hij heeft bovendien zo’n koddige naam, vind ik.

Het groot langlijfje is klein en kort, maar net iets groter en langer dan andere langlijfsoorten. Het mannetje heeft een lijfje dat langer is dat de vleugels. Hij heeft een stompe kont, met een kleine inkeping – net twee billetjes. Het vrouwtje is kleiner en heeft een puntig achterwerk, waaraan ze van een mannetje te onderscheiden is, maar niet van andere soorten langlijfvrouwtjes.

Langlijfjes worden slechts tweeënhalve week oud. Ze eten stuifmeel en drinken nectar. Hun larven eten bladluizen.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 3 aug. 2016)