Glibberen naar de Kobbeduinen

Pijlstaart, © Harvey van Diek

De Waddenzee staat tegen de dijk van Schiermonnikoog en knabbelt aan de oude steiger. Na twee dagen dooi ligt de steiger nog aardig vol ijsschotsen. De jachthaven is ontmanteld voor de winter. Het slibdepot is nog bevroren. We zakken er niet in weg. We hopen er fraters te zien zwermen, of sneeuwgorzen, of strandleeuweriken. Maar die zien we niet. Het opgespoten kweldertje is bedekt met lang gras, dat gebukt gaat onder resten sneeuw. Vogels zijn daar niet, die staan aan de rand op het wad: scholeksters vooral, een paar rotganzen, bonte strandlopers, wilde eenden, slobeenden en pijlstaarten. Pijlstaarten hangen bij vorst altijd met vele rond op het wad van Schier. Het zijn mooie eenden, met die lange puntstaart en die lange witte punt die van hun hals achter hun donkere gezicht langs naar boven wijst. Steenlopers zijn er niet. Die zitten binnendijks op het maïsstoppelveld. Ook goudplevieren en enkele bonte strandlopers scharrelen daar. Strand- en steenlopers op een maïsakker, het moet niet gekker worden. En niet zo weinig steenlopers ook – honderden. Daarachter groepen brand- met enkele rotganzen. De brandjes keffen, de rotjes zeggen rororoh. We lopen de dijk helemaal af, naar het oosten. De noordkant van de dijk is sneeuwwit, de zuidkant grasgroen. We glibberen over het beijsde schelpenpad naar de Kobbeduinen. Op het baken zit een sperwer, hij zweeft langs ons, zijn oranje buik verraadt dat het een mannetje is. Bij het Kobbeduinenbaken heeft Natuurmonumenten een kleurrijk bord neergezet, met de tekst: Baken Kobbeduinen. Er staat ook een prullenbak, leeg op de verpakking van een chocoladeletter na (een I). Het miezert als we teruglopen. Vijf grauwe ganzen gaan gakkend op de wieken.