Gestrekte spinnen

Schaduw?strekspin. Foto Koos Dijksterhuis

Als ik een spin tegenkom, vind ik het meestal te veel moeite de soort op naam te brengen. Zonder zijn of haar geslachtsorganen door een microscoop te begluren is dat vaak niet eens mogelijk. Ik ben niet zo’n gluurder, dus die microscoop laat ik zitten.

Er zijn nog steeds spinnen actief, maar veel minder dan een maand geleden. Ik kom hangmatspinnen tegen, of vooral hun webben, die met dauw bepareld nogal opvallen, zeker als de zon erover fonkelt: een schitterend schouwspel, letterlijk.

Maar veel spinnen zijn er niet meer of ze houden zich gedeisd. Buiten dan. In huis hebben de trilspinnen en huisspinnen maling aan de winter. Die hebben meer te vrezen van stofzuiger en ragebol. Over huisspinnen vertel ik morgen.

Bij gebrek aan spinnen pak ik het spinnenboek van Caroline Elfferich dat sinds oktober op mijn stapel nieuwe boeken ligt. Dat blijkt een goed idee te zijn. Er staan zeventig soorten spinnen in, vooral de gangbaardere soorten die je zonder halsbrekende toeren kunt vinden. Het is een boek voor beginners, deze Basisgids Spinnen (KNNV, 21,95), en bestaat voor zeker twee derde uit foto’s. Prachtige foto’s van vrouwtjes en mannetjes, van details waaraan je ze herkent, van webben en cocons. Een lust voor het oog. Uiteraard worden de beestjes ook beschreven.

Maar hoe gemakkelijk Elfferich het de determinator ook maakt, spinnen blijven lastig op naam te brengen. Neem nou de strekspinnen, een familie van sterk op elkaar lijkende leden die zich ter camouflage als een twijgje kunnen uitstrekken. Ik heb een foto van een strekspin en vergelijk haar met de twee strekspinnen in het boek: de gewone en de schaduwstrekspin. Ik vermoed dat het de laatste is, omdat het driehoekje in haar nek zwart is. Of schemert er toch iets geligs door? Op waarneming.nl zeggen experts dat het waarschijnlijk een schaduwstrekspin is, en anders een gewone of een van de soorten die erop lijken…

(Natuurdagboek Trouw donderdag 13 december ’18)