Geel en wit in de duinen

Geel + wit walstro, Foto Koos Dijksterhuis

Er bloeien nog veel zomerbloemen, al is hun hoofdmoot nu wel uitgebloeid. In de duinen houdt walstro het nochtans dapper vol. Geel of wit of beide tegelijk fleuren ze de bermen van fietspaden op. Geel walstro heet echt walstro. Andere soorten zijn wit, zoals glad walstro. Ze schijnen soms te kruisen, ze zullen wel sterk verwant zijn. Welke kleur een kruising tussen wit en geel heeft, weet ik niet. Misschien geel en wit door elkaar, of lichtgeel.

Geel of wit, echt of glad; walstro siert de duinpaden en geurt honingzoet. Vroeger was walstro een nuttige plant. Het werd gebruikt als stremsel bij de kaasbereiding. Van geel walstro werd de kaas meteen mooi geel. Dat gele werd ook gebruikt als basis voor verf. En walstro zou gedroogd zijn om in kinderbedjes te leggen. Zelf lag ik als baby in de wieg ook op stro, maar dat was gedroogd zeegras. Zeehooi dus. Walstro is tegenwoordig nauwelijks nuttig meer, het is alleen nog mooi.

De bloemen zijn klein, maar met elkaar vormen ze heuse pluimen. De stengels van walstro vallen niet zo op, al kunnen ze een meter hoog worden. Of lang, want meestal ligt de plant op de duinhelling.

De groene blaadjes groeien als sterren rond de stengel, net als bij lievevrouwebedstro en net als bij kleefkruid, maar dan kleiner en slanker. Lievevrouwebedstro en kleefkruid horen allebei bij de walstro’s, een plantengeslacht dat lid is van de familie der sterbladigen. Lievevrouwebedstro diende getuige de naam ooit ook als matrasvulling. Kleefkruid laat, als je door de planten struint, kleine klitjes achter, die lastig uit je sokken te plukken zijn.