Ganzenplaag

Grauwe gans, Foto Koos Dijksterhuis

Dat er in Nederland nog wilde vogels zijn die het goed doen, is een wonder. Zelfs weinig eisende kostgangers als kraaien, mussen, spreeuwen en meeuwen gaan achteruit. Maar ganzen boeken succes. In mijn kindertijd waren er veel minder ganzen. Ze werden in binnen- en buitenland bejaagd, zodat het marginale aantal niet wist te groeien. Toen kwam de bescherming op gang. In Denemarken, een land dat zeker zo jachtlustig is als Frankrijk, maar dat we niet merken zolang we naar Frankrijk op vakantie gaan, werd de ganzenjacht gestaakt.

De ganzenaantallen werden niet langer beperkt door afschot. Tegelijk veranderde het landschap in de overwinteringsgebieden. Het mozaïek van weidjes, hooilanden, zomertarwe, gerst, rogge, karwij, korrelmaïs en vele andere gewassen veranderde in een egaal landschap van Engels raaigras of akkers met wintertarwe, suikerbieten, aardappels en snijmaïs. En laten ganzen nou gek zijn op Engels raaigras, tarwe en bietenresten. De ene ganzensoort geeft de voorkeur aan gras, de andere aan graan, voor elk wat wils.

Ons platteland, koploper in schaalvergroting, intensivering en egalisering, is een grote ganzen-vetmesterij geworden. Voor hun nachtrust kunnen de gakkende waggelaars terecht op de vele meren en plassen in de landbouwgebieden.

We hebben ons land volgens alle wensen van ganzen ingericht, maar nu de ganzen daarvan gebruik maken, zijn we daar niet blij mee. Doen vogels het eens goed, dan noemen we ze een plaag. We trekken ten strijde met geweer en gaskamer. Nou doden wel vaker grazers, om ze op te eten. Maar met ganzen, in feite toch biologisch scharrelgevogelte, doen we dat niet. Gans heeft naar onze smaak teveel smaak. We lusten alleen nog plofkip uit de supermarkt.