Gans

Veel Nederlandse broedvogels verblijven ’s winters in zuidelijker streken. Uit het noorden en oosten krijgt Nederland andere seizoensmigranten op bezoek. Ganzen zijn qua aantal en formaat wel heel opvallende wintergasten. Ook smienten genieten met honderdduizenden van ons heerlijke winterklimaat. De eerste van die eenden arriveerden in september, de laatste vertrekken in mei. Ze rusten overdag in de buurt van water en grazen ’s nachts. Zij maken van de dag nacht en van de nacht dag. Die on-Bijbelse eigenschap is in hun voordeel. Boeren zien ze ’s nachts immers niet zo gauw grazen?

Ganzen grazen overdag en lopen daardoor meer in de gaten. Boeren klagen vaker over ganzen dan over smienten. Naar schatting één tot anderhalf miljoen ganzen overwinteren in Nederland. Kolganzen, brandganzen en grauwe ganzen zijn de talrijkste graseters. Grauwe ganzen staan ook bekend als liefhebbers van riet. De laatste jaren ontpoppen ze zich steeds meer als akkervogels. Ze lusten koolzaad, tarwe en aardappel en met hun stevige snavel vol scherpe tandjes malen ze bietenresten tot pulp. In waterrijke akkergebieden zijn grauwe ganzen algemeen.

Grauwe ganzen broeden sinds de jaren vijftig in Nederland, en dankzij de Oostvaardersplassen zijn hun gelederen gegroeid tot duizenden. Ook  in Vlaanderen broeden er tegenwoordig honderden. Maar in de winter komen er nog veel meer bij. In Nederland zijn er dan ruim 150 duizend. De eerste trekken nu al richting Duitsland, terwijl doortrekkers uit België, Frankrijk en Spanje hun plaats innemen.

Grauwe ganzen zijn de wilde voorouders van de boerengans. Ze gakken ook net als boerenganzen. Ze hebben roze poten. Hun vleugels maken in de vlucht een bonte indruk, vanwege de donkere achter- en lichtgrijze voorvleugels.