Fuut met jongen en tenen

Fuut voert jongen. Foto Koos Dijksterhuis
Fuut voert jongen. Foto Koos Dijksterhuis

De futen hebben vier grote jongen, al zijn die nog jeugdig gekleed in hun gestreepte hansopjes. Maar op de rug van papa of mama meevaren, lekker warm onder de oudervleugels, is er niet meer bij. Piepend zwemmen ze achter moeder of vader aan, als die een vis gevangen heeft. “Voer mij, voer mij!” Ze krijgen de vis ook wel, maar niet zomaar. Ze krijgen een training in zelfvoorziening.

De vier jongen vormen een kring, of nee, rechthoek om grote fuut, die een levende vis in de snavel klemt. Fuut laat de vis los, die onderduikt en probeert weg te spartelen. Twee van de jongen streken hun kop onder water, de andere twee piepen verontwaardigd (“wat doe je nou?”) Grote fuut duikt, om even later boven te komen met dezelfde vis. Het experiment wordt een paar keer herhaald. De vis moet doodsangsten uitstaan en terecht: dit overleeft ie niet. Vis geeft de strijd op, de jonge futen hakken toe.

Elke keer als de ouderfuut de vis als onderwijsmateriaal opduikt, laat hij even zijn achterpoten zien. Die staan verder naar achteren dan bij een eend. Daardoor kan een fuut die poten beter gebruiken als aandrijfkracht. Zoals een schip of dolfijn zich met schroef of staart naar achteren afzetten, stuwt een fuut zich onder water razendsnel met zijn poten voort. Daarbij zouden zwemvliezen handig zijn, maar die heeft een fuut niet; een fuut heeft brede lobben langs zijn tenen.

Hoe handig een fuut daarmee zwemt, zo onhandig is ie ermee op het land. Een nest op- en afscharrelen gaat nog net, maar over de oever rondstappen zult u een fuut niet zien doen.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 20 juli 2016)