Frisse neus

foto Koos Dijksterhuis

De zon prikt door de wolken. Hij schijnt niet zo stralend als de weerman beloofde, maar hij schijnt. Vrijdag 2 maart nemen we de trein naar Zandvoort. Het kopstation ligt vlakbij de boulevard, maar er zijn barrières opgericht die de argeloze bezoeker terneerslaan. Een gigantische flat staat tussen station en strand. De wind spookt eromheen. Als we erlangs zijn geglipt, verspert een volgend monstrum ons de weg. Een hotel. Ernaast is een parkeerterrein, daarnaast een benzinepomp. De “boulevard” blijkt een autoweg langs betonblokken die doen denken aan de proletarische architectuur in Oost-Duitsland van voor de Wende.

Ik herinner me veel Franse en Engelse badplaatsen met charmante boulevards. Nederland heeft niet veel badplaatsen. Maar ze hebben bijna allemaal meegedaan aan de wedstrijd Wie is de lelijkste? Ons land woekert met de ruimte, gaat prat op zijn ruimtelijke ordening, heeft beroemde architecten voortgebracht, maar geeft zijn badplaatsen de sfeer van een luguber bedrijventerrein.

Het strand is omgewoeld door shovels en doorploegd met rupsbandsporen. Een stroom wandelaars haalt frisse neuzen. Het strand is geliefd. Honden rennen rond, een scooter knettert langs, een terreinwagen hobbelt voorbij. Ruiters draven door de waterlijn. Daar liggen schelpen: veel kokkels, strandschelpen, venusschelpen en dunschalen, weinig tepelhorens en alikruiken.

Op zee drijft iets. Een fuut? De kijker erbij: het is een colafles. Ver op zee dobberen eidereenden. Drieteenstrandlopers snorren voorbij; alleen op een zandbank zien we ze aan de grond. Wel zien we enkele zilvermeeuwen en zwarte kraaien op het strand. De meeuwen verslinden een krab, de kraaien zien brood in een hondendrol. We snuiven nog een bel zeelucht op en wagen ons in de troosteloosheid van IJmuiden naar de bushalte.