Fietsen zonder hobbel

Doodgereden wilgenhoutrups. Foto Koos Dijksterhuis
Doodgereden wilgenhoutrups. Foto Koos Dijksterhuis

In natuurgebieden liggen paden. De laatste jaren worden sommige paden verhard met betonnen platen. Ook verschijnen er nieuwe paden van beton. Het zijn fietspaden en ze zijn een slagveld.

Dat natuurbeheerders hun geld aan beton besteden, is het gevolg van de verwarring tussen natuurbescherming en recreatie. Ooit werd natuur beschermd tegen menselijke exploitatie, nu wordt de natuur opengesteld, om er zoveel mogelijk mensen in te lokken. Dat kwetsbare plant- en diersoorten daarvan de klos zijn, geeft niks, want fietsers en wandelaars komen ook zonder kwetsbare soorten wel tot rust in het groen. Zij hebben toch nog nooit van sierlijke vetmuur gehoord, laat staan dat ze weten dat ze die vertrappen. Fietsers en wandelaars willen grote dieren zien en worden op hun wenken bediend met uitgezette koeien en paarden. Op de weinige plekken waar geen recreanten struinen, vertrappen die de sierlijke vetmuur wel.

Dankzij die koeien en paarden krijgen recreanten een safarigevoel. De instantwildernis moet wel moeiteloos bedwongen worden. Dat kan dankzij betonnen paden. Ik telde op een kilometer betonnen fietspad 96 dode naaktslakken, 27 tuinslakken, 7 barnsteenslakken, 15 rupsen, 3 kevers en 2 kikkers. Ook vond ik eens een doodgefietste adder.

Wandelaars zien al niet waar ze hun voeten neerzetten, laat staan dat fietsers oog hebben voor hun parcours.

Het laatste verkeerslachtoffer dat ik vond was een wilgenhoutrups. Dat is één van de grootste rupsen van ons land. Voordat ze zich tot vlinder verpoppen, worden wilgenhoutrupsen bijna tien centimeter lang. Ze doen daar twee jaar over, eten wilg en populier en overwinteren onder losse boombasten. Ze hebben een woeste kop aan een oranjerood lijf en vallen dus behoorlijk op. Maar niet voor een fietser. Die merkt niet eens een hobbel.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 30 sept. 2016)