Eindeloos dennenbos

Dennenbos Spreewald, © Koos Dijksterhuis

Vanuit Berlijn is het een uur treinen naar Lübbenow, in het Spreewald. Dat gebied lonkt mij al jaren toe. Een kleine binnendelta van de Spree, met zompige velden rond meerdere rivierlopen, en veel bos.

Op de detailkaart staan horeca en andere voorzieningen, en in het hart van het Naturschutzgebiet rond Lübbenow wemelt het ervan. Na een half uur jaagt een potige conductrice ons de trein uit. ‘Raus!’ snauwt ze. Een eind buiten het station staat een bus naar Lübbenow, maar die is vol. De volgende komt al gauw en met anderhalf uur vertraging bereiken we het Spreewaldstadje.

In de film ‘Goodbye Lenin’ draait een deel van het verhaal rond Spreewaldgurken, streekgebonden augurken met een beschermde naam, zoals Parmaham en Leidse kaas ook hebben, maar verder reikt de faam niet, dacht ik. Verkeerd gedacht. Volgens de verhuurder van het appartement in Berlijn is het een soort Giethoorn. Het krioelt er van de bootjes vol recreanten die zich al varend vol gieten en eten.

Ik ben vaker in voormalig Oost-Duitsland geweest, maar had nog niet gemerkt dat ze daar het verschil tussen natuurreservaat en attractiepark zijn vergeten. Mooi is het wel, we doorkruisen een moerasbos ten noorden van het stadje. Prachtige paden volgen de oevers van beboste watertjes of steken die via hoge houten bruggetjes over.

Het aantal wandelaars en bootjes neemt zichtbaar af met iedere honderd meter, maar neemt even snel toe naar het volgende botenrestaurant. We verlaten Giethoorn aan de Spree en wandelen noordwaarts richting bos en akkers en slaperige dorpjes.

Ooievaars cirkelen boven die dorpjes, waar steevast een wagenwiel boven het dorpsplein uittorent. De bossen blijken dennenplantages te zijn: kilometer na kilometer strekken de bomenrijen zich uit, ongeveer even hoog, dik en oud, soms afgewisseld met jonge aanplant.

Na twee kilometer over het bospad zien we een pimpelmees. Er groeit eens een melkdistel in de berm, een enkele paddestoel op het zandpad, maar het bos is vrijwel levenloos, op de dennen na. De dennenhars ruikt prikkelend, vooral waar gezaagd is.

We naderen een bosrand met eeuwenoude eiken, en prompt zoemen er bijen en zweefvliegen, fladderen er vlinders, bloeien er bloemen, twieten er zangvogels, tjikken er spechten, schuift een ree voorbij en kruipen er mestkevers over het pad. Het heeft hier ooit vast vol eiken gestaan, allemaal gekapt voor de scheepsbouw, de huizenbouw, de houtskool. Het Spreewald mag dan bekend staan om zijn Gurken, het is vooral hout dat er geteeld wordt.

Na uren en dagen krijgt het eentonige dennenbos iets bedwelmends, en niet alleen vanwege de harsgeur. Waar en hoe ver je ook kijkt zie je dezelfde stammen oprijzen uit een geel waas van grassen. Boven het geel zijn de stammen grijs, daarboven oranjebruin, en daarboven hangt een nevel van donkergroene naalden. Maar geen boom is helemaal identiek en dat geeft de eindeloze herhaling van het uitzicht hetzelfde effect als minimale muziek – steeds hetzelfde en toch een heel klein beetje anders.

Tussen al die dennen ligt een meer. Riet en loofboompjes omzomen het. Een bruine kiekendief zeilt het water over. Een mannetje met prooi in zijn klauwen. Aan de overkant vliegt het vrouwtje hem tegemoet. In een sierlijke manoeuvre geeft hij haar de prooi. De monotonie van het bos hoeft maar even doorbroken te zijn, of er is van alles te zien.