Een vingerhoedje kruid

Vingerhoedskruid, © K. Dijksterhuis

Toen ik een jaar of acht was, wezen mijn ouders me tijdens een fietstochtje een uitbundig bloeiende, roze bloem aan.  ‘Die plant is heel giftig. Als je hem opeet, kun je doodgaan.’ Ik at nooit bloemen, maar vingerhoedskruid bleef fascineren. Ik zag de bloemen in tuinen, in bossen, aan bosranden. Meestal roze, soms wit. In het wild is vingerhoedskruid algemeen, maar de wilde bloemen kunnen nazaten zijn van gekweekte uit tuinen. Wild of tam; beide zijn giftig. Kruidenvrouwen en heksen roerden een vingerhoedje vingerhoedskruid door hun drankjes. Die toverdranken werden gebruikt om van pijnen en kwalen af te komen, om successen te boeken en om high van te worden. Soms bleek een toverdrank echt tegen een kwaal te helpen. Artsen onderzochten dan aan welk van de vele ingrediënten de werking te danken was. Zo ontdekten ze de kalmerende invloed van vingerhoedskruid op driftig kloppende of overslaande harten. Later bleek dat digoxine, een suikerverbinding uit het blad van de plant, het hart tot bedaren brengt. Digoxine is een krachtig middel, een fractie te veel en het hart stopt ermee. Maar een fractie te weinig en de stof heeft geen invloed. Het komt erop aan de dosis heel nauwkeurig af te stemmen en heel geleidelijk op te voeren tot het gewenste resultaat optreedt. Dit afstemmen wordt al sinds lang voor het digitale tijdperk digitaliseren genoemd. Of het werkwoord van vingerhoedskruids Latijnse naam digitalis afgeleid is of andersom, weet ik niet.

Laatst maakten we een bergwandeling in Oostenrijk. Op de lagere hellingen bloeide het vingerhoedskruid massaal. Ik zei tegen mijn zoontje van acht: ‘Die plant is heel giftig. Als je hem opeet, kun je doodgaan.’