Een nacht vol vlinders

Zwartkamdwergspanner, Foto Koos Dijksterhuis

Vrienden van me wonen in een woongroep in het voormalige Biologisch Centrum in Haren, een enorm gebouwencomplex waar ik ooit als student verdwaalde. We zaten in de tuin bij een vuurtje. Kikkers kwaakten, een bosuil gilde, een egel siste en blies, de vlammen knetterden, muggen zoemden.

Eén van hen ging even de lamp controleren. Hij is de laatste tijd verslingerd geraakt aan micro’s, piepkleine nachtvlindertjes. Hij had een oogverblindend felle lamp in de bosjes gezet met een laken erachter. Dat laken moest elk uur geïnspecteerd worden, tot een uur of drie ’s nachts, dan werd het te fris voor micro’s.

Er woonde nog een micro-liefhebber en iedereen in de woongroep is natuurgek, dus met ons zessen sjokten we naar het verlichte laken, tussen de bosjes. Even aan wat takken sjorren en hopla, daar stortten zich tientallen fladderaars in het laken.

Onvoorstelbaar, wat een boel. Daar zaten we dan de hele avond tussen, één of twee keer zie je een nachtuil over het vuur scheren, en dat is het dan. Maar bij die lamp.. tientallen. Namen en aantallen werden genoteerd.

De grond onder het laken wriemelde van de witte duikermotjes, waarvan de rupsen onder water leven. Op het laken zaten witvlakdwergspanner, waterleliemot, zwarte c-uil, hagendoornvlinder, huismoeder, haarbos, stro-uiltje, spiegelmot, drie hyena’s en een zwartkamdwergspanner. Ja, ze hebben fraaie namen. Zwartkamdwergspanners nemen vaak roerloos plaats op het raam en zijn dan van binnen en dus van onderen te fotograferen.

Op het laken zaten ook zweefvliegen, lieveheersbeestjes, eendagsvliegen, schietmotten en diverse sluipwespen van piepklein tot reusachtig. Een drie centimeter lange sluipwesp poetste tussen zijn voorpootjes aandachtig één voor één zijn eindeloze voelsprieten.