Een inktzwam in drie delen

© Koos Dijksterhuis

Tegen de achtergevel wurmt zich een inktzwam tussen de klinkers door. Hij is jong, mooi en vol belofte. In Nederland komen tientallen soorten inktzwammen voor, sommige zijn zeldzaam, maar dit is een geschubde en dat is één van de algemeenste paddestoelen des lands. Geeft niks, wie niet van een huismus kan genieten, is geen steenarend waard. Oftewel: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd, zoals mij met de calvinistische paplepel werd ingegoten. We hebben wat kleinigheden geëerd, thuis.

Een jonge geschubde inktzwam is goed te eten. (Niet zoveel smaak trouwens, peper en knoflook zijn onontbeerlijk). Je kunt er iets bij drinken, wat bij een jonge gladde inktzwam geen aanbeveling verdient, aangezien je van de combinatie gladde inktzwam en alcohol doodziek schijnt te worden. Niet thuis proberen, tenzij als poging van alcoholverslaving af te komen.

Ik laat de jonge geschubde inktzwam staan, want een jonge geschubde inktzwam is een lust voor het oog. Foto! Maar nee, de camera ligt boven, er komt iets tussen (huishoudelijke mededeling: het water kookt, de kinderen zeuren om eten, er brandt iets aan) en ik vergeet de inktzwam. Uit het oog, uit het hart. De volgende dag krijg ik hem weer in het oog en wat een schrik, hij ziet er lang niet meer fris en onbedorven uit. Meer een verlopen typ op middelbare leeftijd, tobbend over zijn gemiste kansen en andere midleefmisère. Toch maar een foto; wat zo snel vergaat, verdiient eeuwige roem. Weer een dag later is hij een grijsaard, oud en der dagen zat. En vervolgens is het gedaan. In drie, vier dagen opgerold en weggevloeid als inkt; wat een leven!