Een dagje naar het strand

Noordkromp, © Koos Dijksterhuis

Het is een warme dag, maar op het strand van Schiermonnikoog blaast een zachte zuidwestenwind het zweet van je rug. Heerlijk. Om negen uur ’s morgens fietsen mijn kinderen en ik met een bevriend gezin langs de waterlijn naar het oosten. In no time bereiken we de oostpunt die met laag water aanzienlijk oostelijker ligt dan bij hoog water.  Mijn vader leerde ons altijd dat je je alleen met oostenwind naar de Balg moest wagen, de kilometers uitgestrekte strandvlakte aan de oostpunt. Dan had je immers terug wind mee en kwam je niet voor lelijke verrassingen te staan. Maar als na tien, vijftien kilometer door het zand tegen de wind in ploeterend eindelijk de Balg bereikt was, gebeurde het soms dat de wind draaide en ook nog eens regen of onweer aanvoerde. Een lelijker verrassing dan onweer op de Balg is nauwelijks denkbaar. Hoewel, de grauwe wolken en lichte flitsen zijn prachtig. Maar vandaag slaan we vaders raad in de zuidwestenwind en laten we ons oostwaarts zweven. Vanmiddag moeten we tegen de wind in terug als het vloed is, onder de duinen dus, waar het pad kan bestaan uit glibberig slijk of uit mul zand. Maar dat is van later zorg.

Joekels van zweefvliegen hangen rond boven zee. Wat bezielt die beesten? Er komen grote sterns op af, Noordse sterns en visdiefjes. Zoontje Ido remt ineens, rijdt een eindje terug en stapt af. Onze voorsprong op hem groeit snel. Maar zijn triomfkreet moet tot op Rottumeroog en Borkum hoorbaar zijn: zwaaiend houdt hij iets omhoog en komt hij aangesjeesd. Hij heeft een noordkromp gevonden, de eerste Nederlandse noordkromp van zijn leven. De noordkromp is voor ons een verzamelobject van mythische proporties. Zijn zus vond er twee toen ze zes was, hij is al acht. Zijn eer is niettemin gered, want zijn vader was ook acht toen hij zijn eerste vond. Zoon heeft ze toen hij zeven was gevonden op IJsland, waar een lavastrand ermee bezaaid lag, en hij vond een halve noordkromp toen hij zes was, maar dit is zijn eerste echte hele noordkromp, een stevige jongen, donker van schelp, pas aan- of in ieder geval bloot gespoeld door de Noordzee.

Bij paal 12 moet een halve dwergvinvis liggen. Die spoelde eerst aan op Rottumerplaat, is tijdens een zomerstorm weer op drift geraakt en op Schier gestrand. Een eilander vertelde dat de ribben uit het karkas steken. Badgasten breken die ribben af, om mee te nemen, zodat van de halve vinvis steeds minder helft overblijft. Wij vergeten het lijk op te zoeken, we hebben al zoveel te zien. Op Simonszandplaat, de zandbank tussen Schier en Rottumerplaat, liggen zeehonden. Ik heb nog nooit zoveel zeehonden bij elkaar gezien, wel vijfhonderd! We zoeken schelpen, helaas is het geen oostenwind die de oude schelpenbanken schoon blaast. Toch vinden we vele wulken en nog twee noordkrompen en, alweer dankzij zoon, een reuzenoester die misschien al tien-, honderdduizend jaar onder het zand heeft gelegen. Blauw is hij verkleurd.

Als we bij paal 16 zwemmen, luieren, lunchen, sleept Frans het karkas van een bruinvis aan. De botten zijn eruit, het is een lege huid, met vissenstaart en vogelschedel . Maar over bruinvissen hebben we het een andere keer.

Eén gedachte over “Een dagje naar het strand”

Reacties zijn gesloten.