Een dagje naar het strand

Foto Koos Dijksterhuis
Foto Koos Dijksterhuis

We waren in Egmond aan Zee, waar nog steeds afzichtelijke flats bovenop de duinen worden gebouwd. Je snapt niet hoe mensen hun landschap zo kunnen vergallen. Maar goed, met de zon in het gezicht en de ogen gericht op zee is het op het strand toch goed toeven. We waren ’s morgens op pad, voor de drukte van recreanten met honden, paarden, mountainbikes, tractors, quads, zeilwagens en kitesurfers losbarstte. Mannen sleepten netten door het water, schoven garnalennetten voort en wierpen hengels uit. Ze vingen niets. Eén jonge platvis werd gescoord, teruggegooid en door een jonge zilvermeeuw gegrepen.

Kokmeeuwen vlogen in rijen over zee, zilvermeeuwen stapten tussen eetbare aanspoelsels door. Het was oostenwind, de zee werd weggeduwd en stroomde over de bodem terug, van alles meeslepend: schelpen, krabben, heremietkreeften, zeepieren, zeeanemonen en brokken leemhout met gaten van boormossels. Wij scharrelden even gretig als de zilvermeeuwen.

De aangespoelde schelpen waren vooral halfgeknotte en ovale strandschelpen, spisula-soorten. Die zijn in trek bij zwarte zeeëenden, die ze van de zeebodem opduiken. Er hingen ook vast zwarte zeeëenden rond op zee, een eindje van het strand af. We zagen er één langsvliegen, even later gevolgd door een fuut. Als zeeëenden strandschelpen eten, moet er een weekdier inzitten. Op het strand spoelen alleen de schelpen aan, de uitwendige kalkskeletten van de weekdieren die er ooit in woonden en die ze bouwden. Tussen de strandschelpen lagen zaagjes, kokkels, een enkele otterschelp en aardig wat venusschelpen.

Toen we terugkwamen vlogen er boerenzwaluwen boven de duinen. Ze kwetterden en zwierden heen en weer, alsof ze geen reis naar Afrika voor de deur hadden staan. Eind oktober, ze zouden al onderweg moeten zijn.

(Natuurdagboek Trouw 24 okt. 2013)