Duizendpoot op dertig poten

Duizendpoot. Foto Koos Dijksterhuis
Duizendpoot. Foto Koos Dijksterhuis

Rommelend in de tuin kom ik onder ieder stuk hout en iedere steen duizendpoten tegen. Ook onder de deurmat zie ik ze en zelfs onder een perzikenpit van gisteren zitten er al twee. De meeste zijn jong: ze zijn nog klein, hebben minder poten dan een volwassen duizendpoot en zijn nog niet zo mooi roodbruin. Klein of groot, allemaal rennen ze weg naar het donker.

Duizendpoten verkiezen de duisternis voor hun sociale leven. De zon is hun te licht en te heet. Ze zouden maar uitdrogen. ’s Nachts ja, dan willen ze zich wel uit hun schuilplaatsen wagen. Dan rennen ze achter insecten aan, achter spinnen of pissebedden. Duizendpoten zijn rovers. Met hun giftige beet schakelen ze prooien uit, die nog groter zijn dan zijzelf. Ook kunnen ze zich bijtend verdedigen. De meest doortastende roofkevers wagen zich niet aan duizendpoten, vanwege hun geduchte beet. Ook mensen kunnen gebeten worden. Het schijnt nogal pijnlijk te zijn, maar zeker weet ik dat niet, want ik ben nooit gebeten.

In de tropen komen enorme duizendpoten voor, soms alarmerend rood, oranje of geel gekleurd. Die kunnen hun bovenlijf oprichten en daar woest mee zwaaien. Wee de gene die gebeten wordt! Sommige tropische duizendpoten kunnen bijten, zoals sommige tropische schorpioenen kunnen steken: pijnlijk, verlammend, opzwellend, ziekmakend en soms dodelijk.

Onze duizenpoten zijn dan toch lieverdjes. Zij houden zich koest onder schors, stronk of steen en zijn ons niet tot last. Als ze zich in de zomer lustig hebben voortgeplant, zijn er veel jongen. Die worden geboren met veertien pootjes en krijgen er na een vervelling een segmentje bij, met twee nieuwe pootjes. Als ze dertig poten hebben, zijn ze potig genoeg.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 1 sept. 2016)