Drie koningen

De winterkoning is de zanger en ratelaar in onze winterse bossen, parken en tuinen. Hij staat bekend als één van de kleinste vogeltjes, maar heeft de grootste mond. Hoewel hij van snavelpunt tot staart-einde net een fractie langer is dan de bladkoning, steekt de winterkoning zijn staartje omhoog en de bladkoning niet, zodat de winterkoning het kleinst lijkt.

Winterkoning, Bladkoning en Kwartelkoning.  Foto’s Harvey van Diek
Winterkoning, Bladkoning en Kwartelkoning.
Foto’s Harvey van Diek

Niet dat u winter- en bladkoning gauw samen in het vizier zult krijgen. De winterkoning laat zich vaak genoeg zien, die is het probleem niet, winterkoningen zijn één van onze talrijkste broedvogels. Naar schatting zijn er 500 à 600 duizend broedparen. Meer dan een miljoen vogels, nog afgezien van vrijgezellen.

Bladkoningen zijn niet zo talrijk, integendeel, ze broeden niet bij ons. Ze broeden in de naaldwouden van Noord-Rusland en vooral Siberië, achter de Oeral. Hoeveel is niet bekend, maar het moeten er miljoenen zijn. De bladkoningen blijven ’s winters niet in hun broedgebied. Het wordt daar min 50. Ze trekken naar Zuidoost-Azië. Van Noord- naar Zuidoost-Azië vliegen ze langs de Himalaya. Dat is een eind oostelijk. Toch dwalen er iedere herfst tientallen zover af naar het westen, dat ze in Nederland belanden.

Wie ook uit het oosten naar Nederland dwalen, zijn kwartelkoningen. Maar die ral-achtigen doen dat in de zomer, als er in Rusland meer kwartelkoningen zijn dan territoria. Dan broeden er meer in Nederland dan anders. In piekjaren broeden er een paar honderd in Nederlandse hooilanden en akkers, in plaats van de gebruikelijke tientallen. Het is ondoenlijk nesten te vinden van deze nachtvogels. De luid roepende mannetjes worden geteld. Of iedere roepende kwartelkoning ook een koningin vindt, is de vraag. De winter brengen Russische en Nederlandse kwartelkoningen in Afrika door.

(Natuurdagboek Trouw 6 jan. 2014)