Drie keer Frankrijk

Volwassen kwak, © K. Dijksterhuis

De Pyrenneeën zijn hoog en steil, maar begaanbaarder dan de Alpen. De bergrug is relatief smal, er snijden nog aardig wat wegen doorheen, tussen Frankijk en Spanje, en vanaf de passen leiden goede paden de bergwandelaar over de grandes randonnées, de langeafstandspaden. Je bent meestal wel binnen een dag lopen van zo’n weg met parkeerplaats, en komt dus gezinnen op gympen tegen. Ik heb niets tegen gezinnen op gympen, maar wie denkt in het hooggebergte met een tentje op zijn rug geen volk te ontmoeten, komt bedrogen uit. Tussen Pau en Jaca liggen de rustigste bergen, daar leefden de laatste beren, en juist daar wordt alweer een weg aangelegd. Ooit reed er een trein onder de bergen door. Ik sliep er in een grot bij een waterval, die in een buis gevangen werd voor elektriciteitsopwekking, witte steenkool. Toen ik opstond vloog er rakelings een steenarend voorbij. De noordkant van de Pyrenneeën is groener dan de zuidkant. In de voetheuvels is het prachtig wandelen en een stuk rustiger dan tussen die pieken. Boven die heuvels zag ik een lammergier cirkelen, een gigantische roofvogel met een staart die als een wyber uitsteekt. Ook zag ik daar de enige rotskruiper die ik ooit in Europa zag. Die klautert behendig langs rotsen, zoals een boomkruiper langs boomstammen. Een rotskruiper heeft een grijs lijf, maar als ie zijn lange, ronde vleugels uitslaat, blijkt hij pioenrood te zijn.

De Camargue, de Rhônedelta, kan een zinderende hel zijn voor de argeloze fietser. Je kunt er ook met de auto rondtoeren, maar een auto blijft toch een armzalig voertuig. Je sluit je af van de natuur, het wordt er snikheet tenzij je de airco opendraait, maar dan moeten de raampjes dicht. Bovendien zijn de meeste wegen in de Camargue verboden gebied. Voor wandelen zijn de afstanden groot en hamert de zon wel erg ploertig op je kruin. De fiets dus, ’s morgens vroeg en ‘s avonds. Flamigo’s, zilverreigers en die halfwilde paarden met koereigers zorgen in het strijklicht voor schitterende spektakels. Met wat geluk zie je hoppen, bijeneters en ijsvogels. Met nog meer geluk een kuifkoekoek of scharrelaar. Die laatste twee zag ik niet. Wel zag ik drie Jan-van-genten en een clubje eidereenden, voor een Noordzeekustbewoner geen zeldzaamheden, maar voor het kustdorp Les Saintes-Maries-de-la-Mer buitengewoon vreemde kostgangers. Het moet op de Atlantische Oceaan gestormd hebben, de vogels moeten de Middellandse Zee op gewaaid zijn. Als ze in het noorden een weg terug zoeken, komen ze bij de Camargue uit.

Benoorden Lyon, goed bereikbaar per boemeltrein, liggen Les Dombes. Dit is een gebied van ondiepe plassen en moerassen tussen glooiende heuvels en oude bossen. Van alles wat. Het is een veel minder bekend vogelparadijs dan de Camargue. Felrode borden proberen je wijs te maken dat je er alleen mag zijn als je jager bent. Ik zou tegen een argwanende boer zeggen: ik ben jager, soortenjager zelfs, maar weet niet wat dat in het Frans is. Niemand bejegent mij wantrouwig. Ik vind de mensen in Frankrijk trouwens heel aardig, ik merk nooit wat van dat beruchte chauvinisme. In Les Dombes wemelt het van de bij ons bijna uitgeroeide rietvogels: zwarte stern, grote karekiet, kwak. Kwakken zijn gedrongen nachtreigers. Overdag luieren ze in bomen, in de schemer stappen ze rond tot vlak achter mijn tent op de gemeentecamping. Jonge kwakken zijn stippelig grijs, volwassen kwakken zwart-wit. In Nederland broedden de laatste kwakken in de Biesbosch. Een enkele keer waagde zich een paartje in de Nieuwkoopse Plassen, waar toen ook nog wouwaapjes broedden, kleine oranje reigertjes die door het riet klauteren. Ook was daar een kolonie purperreigers, tegenwoordig deels woonachtig in de Zouweboezem. In Les Dombes zie ik al die reigers. Wat een gebied!