Dood vogeltje

Dode jonge fitis. Foto Koos Dijksterhuis

Op een stille weg met alleen wat bestemmingsverkeer vind ik in de goot een vogeltje. Het lijkt intact, maar het ligt voorover op zijn borst en beweegt niet. Ik stap af, raap het voorzichtig op en voel dat het koud is. Nou ja, koud, hij heeft de omgevingstemperatuur: een graad of dertig, maar geen veertig, zoals vogels aanhouden als lichaamstemperatuur. Hij voelt al een beetje stijf, al kan ik zijn vleugels spreiden. Zijn oogjes lijken nog te kijken, zo vers is ie dan ook wel weer. Een speldenknopje bloed parelt aan zijn snavel.

Ik kan mij geen treuriger einde indenken dan door een auto te worden doodgereden. Het vogeltje was een jong van dit jaar. Nog maar net uitgevlogen, vast uit een nestje in de nabijgelegen meidoornhaag. Al helemaal in de veren, maar nog niet zo behendig in vliegen dat ie een met 50 kilometer per uur aanstormend monster weet te ontwijken.

Het is een tjiftjaf of een fitis. Die zijn het best te onderscheiden aan hun zang, maar deze is het zwijgen opgelegd. Zijn donkere pootjes wijzen op tjiftjaf, maar vanwege zijn gelige gloed en zijn oogstreep denk ik toch aan fitis. Er zijn wel eens fitissen met donkere pootjes, verwarrend genoeg.

Voor de zekerheid raadpleeg ik een vogelaarssite, waar sommige leden ieder detail van elke vogelsoort uit hun hoofd weten. Als de vierde handpen korter is, is het een tijftjaf, spijkert men mij bij. De handpennen zijn de buitenste vleugelveren, de primaries in vogelaar-Engels. Daarnaast zitten de secondaries en de vleugelveren bij het lijf zijn de tertiaries.

Maar goed dat ik de vleugels kan spreiden. De handpennen zijn allemaal even lang, dus ik blijf bij een fitis (die niet meer fit is).

Fitissen overwinteren in Afrika en broeden in jong loofbos, met in Nederland naar schatting 100 tot 150 duizend paar, een aantal dat sinds twintig jaar afneemt. Nu dus weer een minder. Een beetje bedrukt zet ik hem in de bosjes.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 9 juli ’19)