Dode schoonheid

© foto: Koos Dijksterhuis, een dode Oehoe in Spanje

In Spanje zat een oehoe met gespreide vleugels op de grond. Op klaarlichte ochtend. De uil keek niet rond. Uilen kijken rond, bijna 360 graden, zeker als er mensen aankomen. Deze uil keek naar beneden. Leefde hij wel? Nee, hij had een gebroken nek, hoewel zijn ogen nog glansden. Ik wipte met twee vingers onder de snavel zijn kop iets omhoog en de vogel keek even dwars door me heen als een levende oehoe zou doen. Ik houd ervan als er dwars door me heen gekeken wordt. Ik houd van unheimnlichkeit. Uilen hebben iets unheimlichs. Geruisloze schimmen in de nacht.

De oehoe kon er nog niet lang liggen, want dode ogen doven en worden als eerste weggeaasd. Als hij kuikens had, zouden die verhongeren. Boven ons knetterde een hoogspanningsleiding. Het was duidelijk wat deze uil de kop had gekost. Wat een schoonheid. Zijn veren oortjes staken als borstelige wenkbrauwen links en rechts uit. Vleugels van ruim anderhalve meter. De veren waren nauwelijks beschadigd en zacht, zo zacht. Echt helemaal uil. Een wolf in schaapskleren, want juist dat zachte maakt oehoes geruisloos in de aanval. Andere oehoes dan, deze viel niet meer aan. Hij zou uit elkaar vallen. In de buurt van onze tent had ik een bezoekerscentrum gezien van een natuurbeschermingsorganisatie. Brachten we hem daarheen? We lieten hem liggen. Maar goed ook, want we werden aangehouden door twee norse Guardia Civil die de kofferbak en onze tassen uitplozen. Een onbeschadigde, dode oehoe is verdacht bezit. Ons Spaans was niet rad genoeg om ons daar uit te kletsen. Later lazen we in een krant dat even eerder twee Nederlanders betrapt waren met koffers vol eieren van arenden, gieren, zwarte ooievaars en andere zeldzame eieren voor verzamelaars. Uit nesten geroofd.

’s Avonds reden we over een verlaten bergweggetje. De maan was vol en in gezelschap van een fonkelende Saturnus, als de maan en de ster uit de vlag van Pakistan. Hier en daar warmde een Moorse nachtzwaluw zich op het gebarsten asfalt. We stapten uit, zetten de mnotor af en luisterden naar hun zang. Een vos met twee welpen trippelde nader. De dieren snuffelden aan de auto, op twee meter afstand van ons.

We liepen een eindje langs een meer tussen beboste bergen. De maan spiegelde zich zo scherp in het water, dat we er stil van werden. Ook het water was stil, het waaide niet, er was geen geluid tot er een donker “hoe” klonk. En nog eens, luider nu en dichterbij. Plotseling zoefde er een schaduw over ons heen, volkomen geruisloos, een moment zichtbaar in het maanlicht, maar meteen weer opgeslokt door de zwarte berg. Een schim van een halve bij minstens anderhalve meter.

Eén gedachte over “Dode schoonheid”

  1. Google geeft soms cadeautjes. Op zoek naar heel iets anders komt deze foto voorbij en meteen ben ik er weer: in Italië, op de fiets. Langs de weg een steenuiltje: glasheldere ogen en van de dood geen spoor leek het. Toch was hij dood: een verkeersslachtoffer. En de heldere ogen zeiden: Zie je nou, dat komt ervan!

Reacties zijn gesloten.