Dikkopje met zwarte knotsjes

Zwartsprietdikkopje.  Foto Koos Dijksterhuis
Zwartsprietdikkopje. Foto Koos Dijksterhuis

Een charmante familie van dagvlinders zijn de dikkopjes. In Nederland komen drie soorten vrij algemeen voor. Voor vlinders is Nederland niet meer zo geschikt. Sinds we de bloemen hebben weggemest, mijden vele soorten ons land. Het is ontluisterend om de verspreidingskaartjes in de Dagvlinders van Europa te zien. Vrij vaak houden soorten die in een groot deel van Europa leven een wit plekje vrij voor Nederland en Vlaanderen.

Zo niet het zwartsprietdikkopje, dat weliswaar in aantal afneemt, maar in bijna heel Nederland voorkomt. De vlinder onderscheidt zich met de zwarte knotsjes aan zijn sprieten van het geelsprietdikkopje. Dikkopjes hebben een karakteristieke vorm als ze zitten. Ze zijn daardoor gemakkelijk te herkennen. Heel schuw zijn ze niet, zo dat ook geel- en zwartsprietdikkopje wel uitelkaar te houden zijn. Beide soorten fladderen soms gezamenlijk over een zonnig grasveld. Dan is er nog een groot dikkopje. De kommavlinder zou je ook onder de dikkopjes kunnen scharen, maar die is samen met de veldbloemen zeldzaam geworden.

Ik kom zwartsprietdikkopjes regelmatig tegen, maar niet zo vaak dat het routine wordt. Ze leven op bloemrijke hooilanden, in bloemrijke duinvalleien, bloemrijke bermen, ruige grasvelden, dijken en bosranden. Ze houden niet van grasmaaiers; er moet oud gras blijven staan. In de bladscheden van die grassen legt de vrouwtjesvlinder namelijk haar eitjes. Het zijn platte eitjes en ze worden in kleine klusters gelegd. De rupsen die er in april uitkomen, knagen drie maanden aan het gras en verpoppen zich dan onderaan een grasplant tot vlinder. De volwassen vlinders vliegen in juli en augustus, slobberen nectar, paren, leggen eitjes en gaan dood. De eitjes blijven de hele winter in de vergeelde graspol. Wie dat gras maait, maait ook de dikkopjes.

(Natuurdagboek Trouw maandag 15 aug. 2016)