De zeilende zang van de boompieper

Boompieper, © Jeanette Essink

Als je nu door een afwisselend landschap van open veld, bomenrijen, houtwallen en bosranden wandelt, heb je nog kans op baltsende boompiepers. Boompiepers zien er saai uit, grijsbruin, een beetje gestreept, klein, onopvallend, maar hun baltsvlucht is prachtig. Boompiepers lijken sprekend op graspiepers en een leek zou ze zelfs voor huismus kunnen aanzien. Maar mannetjesmussen zijn nog contrastrijker van kleur. Bovendien hebben mussen een dikke, stompe snavel om graankorrels mee te kraken. Boompiepers hebben een smalle puntsnavel waarin ze een vrachtje insecten of rupsen kunnen oppikken en vervoeren naar hun kroost. Dat kroost zit in een nestje op de grond, zeer goed tussen het gras verstopt. Ik heb als kind eens een graspiepernestje gevonden, ook al zo goed verstopt en in schutkleur. Ik vond het in de berm van een stille weg. Ik prentte me de plek goed in, legde een takje aan de wegrand en moest dan twee meter van het asfalt zijn. Ik wilde het een vriendje laten zien maar kon het een paar uur later niet nog eens vinden.

Graspiepers hoeven geen bomen, boompiepers wel. Ze broeden er niet in, maar beginnen bovenin een boom te zingen en laten zich dan zingend naar beneden zeilen. Ze maken zeer herkenbare klanken die zich zoals de meeste klanken nauwelijks laten beschrijven. Misschien als een geleidelijk trager herhaald ‘wieuw wieuw wieuw’. Anders dan graspiepers, die hun baltslied eveneens in een zeilvlucht laten horen, maar dan niet uit een boom.

Op de kleigronden komen nauwelijks boompiepers voor, op het zand des te meer. In de zuidoostelijke helft des lands en in de duinen zijn helemaal niet zeldzaam.