De schaarse koekoeksbij

Roodsprietwespbij Nomada fulvicornis Biebrzafoto Koos Dijksterhuis
Roodsprietwespbij Nomada fulvicornis, foto Koos Dijksterhuis

We moeten het belang van de honingbij ook weer niet overdrijven hè. Er zijn nog driehonderd andere soorten bijen. En toen ik laatst voor een bloeiende aalbessenstruik stond, gonsde die van de bestuivers. Van strontvliegen tot roodsprietwespbijtjes; tientallen insecten zoemden er rond de onopvallend geelgroene bloemetjes. Zweefvliegen zater erbij, maar geen honingbijen.

Die 300 andere bijensoorten zijn onbekend en vaak zeldzaam. Maar sommige zijn algemeen. De roodsprietwespbij was ook algemeen maar zijn aantal neemt nu schrikbarend af. Dat komt doordat de soort een koekoeksbij is, die haar eitjes in het nest van andere bijensoorten legt. Niet in zomaar één van de honderden soorten en al helemaal niet in het overbevolkte nest van honingbijen – ze zou gedood worden voor ze haar ei kwijt kon. Nee, ze legt haar eitjes alleen in nestjes van koolzwarte zandbijen en van grijze rimpelruggen. En die twee bijensoorten hollen achteruit. Geen wonder, in een land waar een bloemenzee is drooggelegd ten gunste van asfalt, raaigras, mais en andere gewassen waartussen geen korenbloem of klaproos getolereerd wordt.

Jammer, want anders had de roodsprietwespbij misschien kunnen profiteren van een warmer wordende wereld. Toen ze nog algemeen waren, kwamen ze meer bezuiden de grote rivieren voor dan benoorden. In Brabant zoemden ze rond in de lente. In juni hadden ze hun eitjes in anderbijs nest gedumpt en gingen ze dood. De volgende generatie diende zich reeds in de nazomer aan. Hun nakomelingen wachtten tot na de volgende winter met zoemen.

Twee generaties hebben ze nog steeds, maar wel in kleineren getale. Als u een roodsprietwespbij wilt zien, let dan goed op bij bloemen, bijvoorbeeld aan een bessenstruik. Daar zoemt vast nog veel meer.

(Natuurdagboek Trouw 27 mei 2013)