De onderwijzer en de natuur

Grote pimpernel, © Jeanette Essink

Martha Altena uit Emmen herinnert zich naar aanleiding van mijn stukje over spirea dat ze begin jaren ’50 als schoolmeisje moerasspirea plukte voor thuis. Zulks deed ze op de terugweg uit school, want op de vijf kilometer heen was haast geboden. In die tijd waren de velden en bermen veel rijker aan bloemen dan nu, en vond de jonge Martha zelfs rode pimpernel, ‘met die prachtige bruinrode bolletjes’. Een haar onbekende bloem plukte ze wel op weg naar school. Althans zolang ze bij die ene meester in de klas zat, die de bloemen kende en de door leerlingen aangedragen soortenlijst bijhield op het schoolbord. Altena herinnert zich dat de teller op 330 soorten stond.

Wat een schoolmeester! Hij stond in een traditie. Veel natuurvorsers van het eerste uur waren onderwijzer. Dat is nu wel anders, ik ken nauwelijks onderwijzers met veel kennis over de natuur. Maar dat hoeft ook niet, ik heb een uitstekende onderwijzer gehad zonder kennis der natuur. Ik zat in de vierde, het zou nu groep zes zijn. Mijn school stond niet ver van het bos, met drie kastanjebomen op het schoolplein, dat geflankeerd werd door een rij populieren. In die populieren zaten spechten. Daar keek ik naar. Soms vloog er een naar een kastanje. Daarnaar kijken lukte niet met een scheef oog, je moest er je hoofd voor draaien.

‘Waar kijk je naar’, vroeg de meester. ‘Een specht, meester’. ‘Echt? Waar? O ja!’ Iedereen mocht even kijken, waarna de les doorging.

Bij de meester in de vijfde gebeurde zag ik weer spechten. Waar kijk je naar? Een specht, meester. Strafregels kreeg ik, honderd keer: ik mag niet naar buiten kijken.