De mierenman

Mieren op wortel. Foto Koos Dijksterhuis
Mieren op wortel. Foto Koos Dijksterhuis

Op tweede kerstdag is Edward O. Wilson overleden. Hij werd 92 jaar. Wilson is, of was, een van de invloedrijkste natuurbeschermers ter wereld. Dankzij een vlotte pen werd zijn wetenschappelijke werk aan onder meer mieren wereldberoemd en een inspiratiebron voor velen, onder wie uw natuurdagboekanier.

Als jongen struinde Wilson door de moerassen van Alabama en Florida achter slangen, zoogdieren, vogels en vissen aan. Toen hij zeven was wierp hij zijn hengel uit, waarbij hij zijn rechteroog verwondde. Thuis hield hij dat stil, omdat hij vreesde dat hem het struinen verboden zou worden. zijn ouders hadden niets door; ze waren aan het scheiden en hadden wat anders aan hun hoofd.

Wilson kon zijn verdere leven met maar één oog kijken, een oog dat nog vrij bijziend bleek te zijn ook. Van vogels en vissen verlegde hij zijn aandacht naar insecten. Eerst bestudeerde hij vliegen, maar toen begin jaren ‘40 al het metaal voor de oorlogsindustrie nodig was, raakten de spelden op. Hij kon geen vliegen meer opprikken en stortte zich op de mieren.

Als onderzoeker legde hij het verband tussen mieren- en mensenmaatschappijen, waarover hij wetenschappelijke artikelen en publieksboeken schreef. Ook onderzocht hij de ecologie van en op eilanden, een tak van biologie waarvan hij de grond legde. Met zijn natuurboeken won hij twee keer de Pulitzerprijs.

Behalve voor natuuronderzoek zette Wilson zich in voor natuurbescherming. De term biodiversiteit wordt aan hem toegeschreven. Vijf jaar geleden trok hij nog wereldwijde aandacht met zijn boek De halve aarde, waarin hij beargumenteert dat de soortenrijkste helft van de aarde als natuurreservaat gevrijwaard moet worden van menselijke exploitatie. Dat is volgens hem nodig om 85 procent van de biodiversiteit te behouden, inclusief de mensheid zelf. Want de natuur kan zich goed redden zonder de mens, maar de mens niet zonder de natuur.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 12 januari ’22)