De laatste eerste huiszwaluw

Huiszwaluw. Foto Erik Sanders
Huiszwaluw. Foto Erik Sanders

Als jonge vogelaar noteerde ik na elke tocht de vogels die ik zag. Ik heb mijn notitieboekjes uit die tijd nog. Van begin april, soms al in maart, tot eind september, soms nog in oktober stond de huiszwaluw erbij, vaste prik. Dat is nu wel anders.

Sinds 1968 worden ze geteld en is het aantal huiszwaluwen met driekwart afgenomen, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van voedselgebrek. Daarvoor zal hun aantal ook al wel slinkende zijn geweest. Er zijn nog steeds tienduizenden paartjes, maar kennelijk niet meer zoveel dat ik ze altijd zie, integendeel.

Deze zonnige lente zag ik begin april de eerste boerenzwaluwen en eind april de eerste gierzwaluwen. Eerder nog dan deze wee zag ik oeverzwaluwen, de minst talrijke van de vier zwaluwen. Gierzwaluwen zijn weliswaar geen zwaluwen, maar tel ik even mee.

Dit jaar zag ik de eerste huiszwaluw op 9 mei, de laatste eerste huiszwaluw van mijn leven!

Huiszwaluwen hebben een kortere staart dan boerenzwaluwen. De laatste hebben een gespleten staart met twee punten. Huiszwaluwen zijn blauwzwart met een witte stuit. Boerenzwaluwen zijn zwartblauw, inclusief stuit. Oeverzwaluwen zijn bruin. Van onder zijn ze alle drie wit, al heeft de boerenzwaluw een bruin met blauwe keel en draagt de oeverzwaluw een bruine borstband. Gierzwaluwen zijn groter dan de andere, en donker van boven en onder; ze scheren als zwarte sikkeltjes hoog door de lucht of laag tussen de huizen.

Zowel boeren- als huiszwaluwen metselen nesten tegen muren. Boerenzwaluwen doen dat vaker in schuren, huiszwaluwen tegen gevels. Voor huiszwaluwen bestaan nestkasten, maar ze gebruiken liever zelfgebouwde nesten. Dat geldt vooral voor kleigrond; op zand zijn ze makkelijker tot namaaknesten te verleiden. Dat blijkt uit een inventarisatie van Loes van den Bremer en collega-biologen. Ze schreven erover in vogeltijdschrift Limosa. Met zand is het lastiger metselen dan met klei, vandaar.

(Natuurdagboek Trouw maandag 18 mei ’20)