De huismerel

Merel v. Foto Koos Dijksterhuis
Merel v. Foto Koos Dijksterhuis

We hadden een huismerel. Een vrouwtje met twee grote jongen. Op een dag hipte ze op Schiermonnikoog het huisje binnen, waarin ik juist aan dit stukje begon. Dat trof! De merel hipte langs de tafel, pauzeerde even en draaide haar koppie scheef om me te peilen. Ik schreeuwde niet en zwaaide niet, maar keek terug en vroeg of alles naar wens was. Ze hipte de keuken en de kamer door en vervolgens terug naar buiten, alsof ze al jaren kind aan huis was.

Er waren een paar kruimels van de vloer verdwenen en in ruil lagen er op vier plekken merelpoepjes. Benijdenswaardige stoelgang, die beesten!

De kruimels werden buiten in de opengesperde snavels van beide jongen gestoken. In huis viel niets meer te halen, maar ik was de beroerdste niet en presenteerde broodkuimels en klokhuizen op het terras. Alles vond gretig aftrek. De merel had meteen door wie ze hebben moest. Als ik binnen was, hipte ze mee. Zat ik achter het huis, kwam ze met vragend scheef koppie naast me zitten. Zat ik voor het huis, dan kwam ze er meteen aanhippen. Ze hipte om het huis heen, hoewel ze dwars door het huis had kunnen afsnijden. Arriveerden er buren, dan vloog ze weg.

Na een paar dagen had ze nog maar één jong. Zelf had ze een veer op half zeven hangen en een uitgestoken donsje op haar rug. Was dat het werk van een door vakantiegangers meegenomen kat? Achtergelaten en verwilderd?

De merel bleef me trouw met haar ene jong. Tot ik mijn eigen kinderen moest wegbrengen en er een dag tussenuit piepte. Na terugkomst was er geen merel meer te zien, moeder noch jong.

(Natuurdagboek Trouw maandag 4 aug. 2014)