De geur van doornappelbloemen

Doornappel. Foto Louis Stiller
Doornappel. Foto Louis Stiller

Laatst was ik bij mensen die een doornappel in de tuin hadden staan. Hij bloeide met grote, witte trompetbloemen. Ik rook eraan, maar ik rook niets. De avond verstreek, de zon ging onder, de schemer kroop de tuin in. De doornappel sloot zijn kelken niet. Weer rook ik eraan. Ja, ik rook een bloemengeur.

De bloemen van doornappel geuren ’s nachts. Net als bij kamperfoelie komen er nachtvlinders op die geur af, die nectar uit de bloemen slobberen, langs de meeldraden schurken, zich met stuifmeel bevuilend, waarna ze dat stuifmeel op naburige stampers achterlaten. Doornappel geurt lang niet zo zoet en bedwelmend als kamperfoelie. Kamperfoelie is de sering van de nacht. Zo’n sterke geur is niet nodig, want nachtvlinders hebben een fijne neus. Ze ruiken zelfs de subtiele doornappelgeur al van honderd meter afstand. Tenminste, als er geen kamperfoelies of andere geurbronnen in de weg staan. Dat blijkt uit experimenten van biologen uit Washington. Tabakspijlstaartvlinders raken de kluts kwijt als andere geuren overheersen of als er bloemen met op doornappel-achtige geur in de buurt staan.

Ik kan in een bos de fietsers soms op meters afstand ruiken. In winkelstraten en volle treinen vallen me altijd de aroma’s van lichamen, etenswaren, deodorants en parfums op. Die kunnen allemaal lekker ruiken, maar meestal ruiken ze vies. Het lukt vaak niet te bepalen aan wie een luchtje zit.

Als ik in een bos de fietsers op meters afstand kan ruiken, ruikt een nachtvlinder ze van tientallen meters. Uitlaatgassen van de immer naburige wegen zullen de vlinderneusjes helemaal tarten.

Ik snoof nog eens de subtiele doornappelgeur op. Zolang ik hier bleef staan snuffelen kon geen nachtvlinder de doornappel in die tuin ruiken.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 9 juli 2014)