De eerste keer putters

Putter a.d. elzenproppen, © Wim de Vos

Kleurige zangvogels zijn populair bij vogelhouders. Konden ze dan ook nog met hun snavel aan touwtjes sjorren en vingerhoedjes ophijsen, dan werd hun populariteit zo groot, dat we van geluk mogen spreken dat er nog putters in het wild voorkomen. Mijn eerste putters zag ik vlak nadat ik begon met vogels kijken. Dat geschiedde in Frankrijk, waar ik ook mijn eerste kleine zilverreigers zag. Allebei die voor mij toen zo exotische vogels zijn algemeen geworden in Nederland. Vooral putters waren in Nederland zeldzaam geworden, toen ze zich op het geëgaliseerde, ontwaterde, onthoutwalde platteland niet meer redden. De distelverordening deed putters ook vast geen goed. Putters zijn distelvinken. Uitgebloeide distels en kaardebollen zijn geliefde zaadbanken voor deze vinkachtige vogels. Putters kwamen vanouds voor op de zandgronden, kwijnden weg, en maakten vanuit Engeland een comeback op de klei.

Putter, © Erik Sanders

Via de rivieren drongen ze door tot de oostelijke delen des lands. Ze zijn nu weer talrijk. Bij Groningen hoor en zie ik ze over zwermen, in vlucht herkenbaar aan hun gele vleugelstrepen en hun vrolijke gekwetter. Ze zingen ook graag, zelfs in de winter zingen de mannetjes zowel als de vrouwtjes. Hoewel ze distelvinken zijn, zie ik ze nu vooral hoog in loofbomen zaden zoeken. Elzen zijn in trek. Ze slachten de elzenproppen, net als de sijzen die ze soms gezelschap houden. Wat zijn ze exotisch kleurrijk met hun rode kop, kanariegele vleugelstrepen, olijfbruine rug, zwarte vleugels en kruin. Altijd moet ik even denken aan die eerste putters in Frankrijk. Dat heb ik ook met kleine zilverreigers. Bij andere vogels denk ik lang niet altijd aan de eerste keer.