De buren en de bereklauw

© K. Dijksterhuis, Bereklauw in knop

We zaten in een café en een kennis van me vertelde over de enige keer dat hij vrij kampeerde, in Frankrijk op een veldje bij een beek. ’s Nachts werd hij wakker. Hij moest hoognodig. Hij stelde het zo lang mogelijk uit, sprak zichzelf moed in en ritste de tent open. Terwijl hij vertelde maakte hij bijpassende bewegingen met zijn bovenlichaam. Ik zag het voor me. Hij liep een paar meter bij de tent weg, deed een plas en draaide zich weer om. Toen bleef hij stokstijf staan. Tegen de donkere nacht stak  een zwart silhouet af van een forse kerel. De man stond even voorbij de tent naar hem te staren. Mijn kennis durfde zich niet meer te verroeren. Hij stond op om de ongemakkelijke houding te tonen, waarin hij zich niet meer verroerde. Hij hoopte dat hij zelf tegen de bosjes onzichtbaar zou zijn. Geleidelijk gloorde de dageraad. De enge man werd steeds zichtbaarder en veranderde zomaar in een bereklauw.

Jaren geleden kreeg ik nieuwe buren. Zij hadden net zo’n stadstuintje als ik, klein en schaduwrijk. Om de hoek woonde een vrouw op leeftijd, die zich ontfermde over al het gedierte. Zij hield tientallen straatkatten in leven en aan de prikpil. Zij voerde de stadsduiven dagelijks twee verkruimelde broden en een pond rijst. Dat stortte ze op, maar vooral over haar balkon. Het belandde in de tuin van mijn nieuwe buren. Duiven, ratten, muizen en katten aten het op. De nieuwe buren vonden ratten, duiven, muizen en katten onwenselijk. Ze klaagden bij de buurvrouw. Op een dag zwermden er plotseling tientallen duiven, kauwen, mussen en spreeuwen in mijn tuin. Ik keek door het raam en zag Buuv handenvol brood en rijst strooien. In mijn tuin? Ja, verontschuldigde Buuv zich, met een gezicht vol minachting, die buren van je, grrr! Maar ze zou de vogels voortaan op dat veldje daar voeren. Uit angst dat de vogels door die verhuizing van slag zouden raken, schoof ze de voerplaats in etappes op. Ze was tot mijn tuin gevorderd.

De nieuwe buren wierpen zich op de volgende doorn in hun oog. Er tierden bereklauwen en ze tierden welig. Ze stonden kniehoog, het was nog geen juli, zoals nu, maar bereklauwen groeien snel, het zou niet lang meer duren. Als ze manshoog zijn, vouwen ze hun bloemschermen open, uit een ronde knop die minder dik is dan je zou verwachten van zo’n enorme bloem. Ach, het is water wat erin zit, hè, een bereklauw pompt zich op met water.

De buren zwaaiden rond met een maaier, zo’n ding dat je als een ouderwetse stofzuiger in je handen houdt. Een draad zwiept rond en verhakselt de planten. Bereklauw ruikt heel sterk als je het verhakselt. De buren hadden geluk met de schaduw in hun tuin, want bereklauwsap laat in de zon brandblaren na.

‘Wat ruiken die rabarbers gek’, hoorde ik de ene nieuwe buur tegen de ander zeggen.

‘Is het wel rabarber?’ luidde de wedervraag.

‘Ja, dit is rabarber.’

‘Laten we het dan opeten!’

Of het gesmaakt heeft, weet ik niet. Lang woonden ze er niet. Jaren nadat ze vertrokken, verhuisde ik zelf. Nog eens jaren later nam ik eens een kijkje aan de achterkant, op het veldje van de vogels. En wie kwam ik tegen? Buuv, met zakken vol brood en rijst.