Coendersborch

Goudhoed, © René Oosterhuis

Op het landgoed Coendersborch in het Westerkwartier van Groningen hebben kramsvogels gebroed. Kramsvogels zijn forsgebouwde lijsterachtigen die soms met enkele paren, hooguit enkele tientallen in Nederland broeden, altijd alleen maar in het zuidoosten des lands. In Groningen is zo’n broedgeval  heel bijzonder. Er broeden meer bijzondere vogels op Coendersborch, wielewalen bijvoorbeeld. Maar wielewalen zijn er alleen ‘s zomer s, terwijl kramsvogels in de winter ons land bezoeken. Ze ruimen graag de rottende fruitresten in boomgaarden op.

Op Coendersborch staan fruitbomen en houtwallen en is zelfs nog intensieve veeteelt, terreinbeheerder Het Groninger Landschap zit vast aan een erfpacht. Maar het bos op het lange, smalle landgoed groeit stug door en heeft een rijpe ondergroei van klaverzuring, dalkruid, bosanemoon en salomonszegel. In de negentiende eeuw werd hier bos aangeplant om de afgegraven veengrond toch nog productief te maken. Het bos is verwilderd. Naald- wisselt loofbos af. Op veel natuurterreinen wordt naaldbos gekapt. Naaldbos heeft een slecht imago. Een bejaarde douglasspar waar een Canadese boswachter van zou kwijlen, wordt in Nederland omgelegd omdat het een exoot is. Het natuurbeheer is niet vreemd van vreemdelingenhaat. Maar op Coendersborch houdt Het Groninger Landschap zijn hoofd koel. De sparren worden alleen gekapt om een langzaam groeiende eik een kans te geven en zo het naaldbos wat afwisselender te maken. Verder blijven ze staan, want ook naaldbomen hebben hun kostgangers. Sommige paddestoelen, mossen, varens en kruiden houden ervan. Qua paddestoelen heeft Coendersborch zijn sporen verdiend met de zeldzame goudhoed. Voor varens moet het een beetje schemeren en onder sparren schemert het. Er staan koningsvarens, een beschermde soort van imposante afmetingen. Ook sommige vogels hebben een grote voorkeur voor naalden: goudhaantjes bijvoorbeeld en zwarte mezen. En eekhoorns. Het gaat niet goed met onze eekhoorns. Ziekte, havik en boommarter stimuleren de eekhoornstand niet. Gun eekhoorns, waar ze nog zijn, hun naaldbomen. Op Coendersborch wonen eekhoorns.

We kronkelen met het sprookjespad mee door een hakbosje van hazelaars. De hazelnoten vinden aftrek bij gaaien die ermee wegvliegen. Ook boomklevers weten hazelnoten te waarderen. Daarna volgen we een zigzag-parcours over begroeide paden door weilanden. Een nijdig gebrom zwelt aan en doet ons opzij springen. Een ongehelmde jongen jaagt zijn opgevoerde crossmotor zonder nummerplaten over het smalle fietspaadje.  Volgens de boswachter scheuren er op zondagmorgen tien uur wel eens twintig van die gasten voorbij. Met hekken, boomstammen of greppels zou de zondagsrust misschien geheiligd kunnen blijven. We denken al gauw dat hekken onnatuurlijk en ontsierend zijn en weg zouden moeten. Zonder hek kan een ree er gemakkelijker door. Maar verder zijn hekken vooral belemmerend voor mensen, niet zozeer voor dieren. Dieren worden opgesloten door kanalen en wegen, mensen door hekken.  Een bij motorrijders geliefd rondje op het landgoed Coendersborch is een kleine ronde wal in het eikenbos, rond een bosvijver. De vijver is alleen over een smal bruggetje bereikbaar. Het is de zogenoemde viskenij. In de viskenij werd in pre-vrieskist-tijden vis bewaard, levend en wel. Op vrijdag visdag haalde de kok een netje door de viskenij.

Een kleine vogel vliegt over in een golvende lijn. ‘Tjik’, zegt hij. Het is een grote bonte specht. Hij landt op een uit de bosrand stekende dode tak. Er zit een kogelrond spechtenhol in. Wat lager op de stam groeien houtzwammen in gele kussentjes. Er scharrelen mezen langs, op zoek naar poppen of larven.