Boterbuik

Grote zaagbekken. Foto Jeanette Essink

Het land is grijs, het water is zwart, de lucht is grauw. Grote zaagbekken brengen kleur in winters Nederland. Zaagbekken zijn fraai uitgedoste eenden, met lange, dunne, rode snavels. Die snavels zijn getand. Zaagbekken duiken naar vis, ze zwemmen onder water achter vis aan. Dan is zo’n zaagbek handig. Die geeft grip op de glibberige spiering. De grote zaagbek is iets groter dan een wilde eend. De woerd heeft een glanzend donkergroene rug en kop en natuurlijk die rode snavel, en een witte buik, gebroken wit. Aan die kleur dankt hij zijn bijnaam boterbuik. Grote zagers, zoals vogelaars zeggen, broeden in de taiga van Finland, Zweden en Rusland, tot ver achter de Oeral. In het stille, uitgestrekte naaldwoud leggen ze hun eieren in boomholten. Ook door nestkasten laten ze zich wel bekoren. Als er maar water in de buurt is, water met veel vis. De taiga wordt doorsneden door rivieren die koele, donkere meren voeden.

Grote zaagbekken houden ook van bergen. In de Alpen en in de Himalaya broeden honderden paartjes, ver van hun soortgenoten in de taiga. In Zwitserland koloniseren de vogels zelfs stadsparken.

In Nederland broeden ze nooit. Wel hangen grote zagers ’s winters bij duizenden rond in vooral het IJsselmeer. Eerst verzamelden ze zich in de monding van de Tanarivier, een fjord in Noord-Noorwegen. Toen het daar te koud werd, zakten ze af. Ze brengen de winter door op onze wateren. Mocht het hier zo afkoelen, dat zelfs het IJsselmeer dichtvriest, dan zoeken ze hun heil in de Zeeuwse Delta, in opengehouden vaarwegen en desnoods in Frankrijk. Maar tot nog toe is de winter warm. Ze baltsen al, zie foto.