Bonxie en Jan

Grote jager. Foto Koos Dijksterhuis
Grote jager. Foto Koos Dijksterhuis

De eerste grote jager die ik zag vloog dertig jaar geleden langs Clear Island, Ierland. Grote jagers broedden toen niet in Ierland. Pas sinds vijftien jaar doen ze dat. In Schotland en Far Oer broedden ze wel. Daar kwamen IJsland en Noorwegen bij, Spitsbergen, Rusland. Grote jagers waren succesvol, voor predatoren. Predatoren zijn roofdieren. Grote jagers zijn roofmeeuwen, ze horen bij de meeuwen, niet bij de roofvogels.

Grote jagers jagen achter zeevogels aan om voedsel te stelen. Volgegeten meeuwen kunnen daar zo nerveus van worden, dat ze de voor hun kuikens bedoelde voorraad in hun krop weer uitspugen. Om van het gezeur af te zijn.

Onderweg naar Spitsbergen zien we veel grote jagers. Vaak wieken ze traaag en verveeld voorbij. Maar o wee als ze de geest krijgen. Dan zijn ze snel en wendbaar als een valk. Ze hebben een voorkeur voor Jan-van-Genten als doelwit. Jan-van-Genten zijn anderhalf keer zo groot en hebben een enorme dolksnavel, maar ze kunnen niet op tegen een grote jager. Soms laat een Jan van Gent zich in zee vallen. De jager stort zich erbovenop en pikt en klapwiekt. Jan pikt en klapwiekt terug, maar geeft en braakt op.

Grote jagers broeden op de grond. Kom je te dichtbij, dan krijg je ervan langs, met het fanatisme van een Noordse stern en de kracht van een mantelmeeuw. Officieel heten ze skua in het Engels, maar hun aanvallen leverden hen een koosnaam op: Bonxie. Wij zien alarmerende grote jagers op het Schotse Shetland-eiland Fair Isle. We zoeken de kuikens of eieren niet op. De bonxies vallen ons niet aan, maar zijn ook niet bang. Eén blijft langs het pad zitten als we vlakbij lopen.

(Natuurdagboek Trouw 20 juni 2014)