Bonte brandganzen

Brandganzen. Foto Koos Dijksterhuis
Brandganzen. Foto Koos Dijksterhuis

Behalve verwilderde Nijlganzen en Canadese ganzen zie ik ten oosten van Groningen vooral grauwe ganzen, ’s winters aangevuld met kolganzen. In mindere mate hangen er brandganzen rond.

Brandganzen zijn bonter (zwart-witter) dan grauwe en kolganzen. Brandjes hebben een witte buik, door een scherpe rechte lijn gescheiden van de zwarte borst en hals. Op de kruin, het achterhoofd en een zonnebril na hebben ze een witte kop. Dat onderscheidt hen van de kleinere rotgans, die een zwarte kop heeft, met een wit halsbandje. Rotganzen hangen aan de kust rond, brandganzen zitten meer in het binnenland. Of zitten, ze stappen grazend over grasland. Ze lijken ook op Canadese ganzen, maar die zijn groter en hebben een donkere kop met een witte slab onder hun kin – zoals een mondkapje wordt gedragen voor wie de regels halfslachtig volgt.

Brandganzen overwinteren met honderdduizenden in Nederland. Sovon Vogelonderzoek schat hun aantal op rond de 800 duizend. In maart komen daar nog duizenden doortrekkers bij. Zo weids en vlak als hun winterse leefgebied is (overdag weiden, ’s nachts meren), zo verticaal is hun broedgebied – ik zag ze tijdens Trouwlezersreizen op Spitsbergen de wacht houden op smalle richels, hoog op bloedstollend steile klippen.

Ik herinner me dat ik lang geleden wel eens brandganzen in de zomer aantrof. Brandganzen in de zomer, dat was me wat! Het verhaal deed de ronde dat die door jagers vleugellam geschoten waren en met hagelkorrels en al niet meer weg konden trekken. Nederlandse boeren maaien hun snelgroeiende gras vaak en dus is er ’s zomers genoeg jong gras in de aanbieding. In navolging van die eerste stumperds bleven ze vaker overzomeren en in 1984 werd het eerste broedgeval  vastgesteld. Nu broeden er 14 tot 20 duizend paartjes.

Maar ’s winters zijn er nog veel meer brandganzen. Ze vliegen vaak hoog over, in een V, terwijl ze gakken als keffende schoothondjes.

(Natuurdagboek Trouw maandag 3 januari ’22)