Bloemen van Aäron

Aronskelk. Foto Koos Dijksterhuis
Aronskelk. Foto Koos Dijksterhuis

In het bos zag ik aronskelken bijna bloeien. In mijn tuin bloeien ze nog niet bijna. Wel tiert hun blad welig. Die bloemen fascineerden mij als kind al. Ik vond ze niet zozeer mooi, als wel apart, met die bekervormige bloem en die op een rups lijkende bloeikolf. De bloemen roken niet lekker, ze stonken. En ze stinken nog steeds.

Over smaak valt te twisten, maar dat smaken verschillen, staat wel vast. Vliegen vinden aronskelken juist heerlijk geuren. Nu vinden vliegen wel meer dingen onweerstaanbaar aantrekkelijk, die wij juist walgelijk vinden. U denkt nu natuurlijk direct aan de stinkzwam.

Stinkzwammen en aronskelken hebben weinig gemeen, maar toch één ding: ze lokken vliegen. Aronskelken vangen vliegen in hun kelk, om ze na een dag weer vrij te laten. In de tussentijd hebben de insecten het meegebrachte stuifmeel achtergelaten en zijn ze onder het nieuwe stuifmeel gaan zitten. De bloeikelk van de aronskelk heeft onderaan vrouwelijke en hogerop mannelijke bloemen. Het bevruchten en bevrucht worden gaat zo in één moeite door. Als de vliegen eindelijk vrij zijn, trappen ze er meteen weer in en laten ze zich door een volgende bloem vangen.

De aronskelk dankt zijn naam aan de eerste hogepriester van het uitverkoren volk, de broer van Mozes. De staf van Aäron bleek een toverstaf te zijn, waaruit op een goede dag bloemen bloeiden. Kennelijk waren dat alle soorten aronskelken, die in de woestijn verrassend goed aansloegen en zich verspreidden. Tot in mijn tuin.

In mijn tuin staan gevlekte, in het bos vond ik Italiaanse aronskelken. De laatste zijn ooit in landgoederen geplant, maar intussen wijd en zijd verwilderd. Als ze straks zijn uitgebloeid, vormen ze aren met oranjerode bessen.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 8 mei 205)