Berken(schild)wants

Berkenschildwants. Foto Jeanette Essink
Berkenschildwants. Foto Jeanette Essink

We zaten rond een vuur, er was een feestje. Iemand had brandhout meegebracht. Hij had een berk geveld en aan stukken gehakt. De gekloofde brokken legde hij bij het vuur.

Een vuur is dodelijk voor nachtvlinders en langpootmuggen die op het licht afkomen. Het is ook dodelijk voor oorwurmen, pissebedden en andere diertjes die zich in het brandhout veilig wanen.

Iemand hield een appelsappak voor mijn neus. Er zat een beest op. Het was een wants. In het geflakker van de vlammen was te zien dat de wants niet geheel groen was, maar rossig gevlekt. Enkele feestvierders verdrongen zich om het insect. Wat was dat voor beest? Vanwege het berkenhout leek een berkenwants me voor de hand liggen. Ik zei dus: “ik denk dat het een berkenwants is”. Meteen trok een aanwezige de conclusie: “ah, die komt natuurlijk uit dat berkenhout”.

Iedereen was tevreden met de oplossing van het wantsenraadsel. Zo kan een cirkelredenering als sluitend bewijs worden opgevat. Niet dat cirkelredeneringen per definitie onwaar zijn. Maar in dit geval zat ik ernaast, al was het niet ver. De volgende dag leerde een blik in het insectenboek dat het geen berkenwants was, maar een berkenschildwants. Die is niet bruin met een zoom van zwarte stippels, maar rossig met groen. Wel denk ik dat deze berkenschildwants even goed uit het brandhout kwam. Berkenschildwantsen leven op berken, ze drinken berkensap. Dat berkensap bevat suikers die als een antivries de wants tegen vorst beschermen. Antivries had ie in de hitte van het vuur niet nodig. De wants was aan de vlammen ontsnapt. Hij werd in de bosjes gezet. Daarvandaan vindt hij vast wel een nieuwe berk.

(Natuurdagboek Trouw dinsdag 27 aug. 2013)