Berggeiten

Gems, © K. Dijksterhuis

Bij gemzen dacht ik altijd aan berggeiten op rotsen, hoog boven de boomgrens. Hoog boven de boomgrens heb ik ze wel eens gezien, maar vaker zag ik ze op vijfhonderd, duizend meter. Ooit liep ik in Oostenrijk bij Villach door het bos en renden er een paar de helling op. Twee jaar geleden kwamen we een gems tegen in de voetheuvels van de Apennijnen, Italië. We waren op vijftien meter afstand, die gems keek even op, graasde toen onbekommerd verder. En al stapte hij grazend van ons af, een wilde indruk maakte hij bepaald niet. Laatst waren we weer in Oostenrijk, niet ver van Salzburg, waar we door druilerige mist naar een ijsgrot sjokten. We waren niet de enigen die door druilerige mist naar een ijsgrot sjokten. Met bussen en in files kwamen de mensen aangereden, die door druilerige mist naar die ijsgrot sjokten. Men sjokte af en aan. In een haarspeldbocht bleven we staan. Onder ons zagen we een dier. Een ree ofzo. Nee, geen ree. Door de kijker zagen we de lange, smalle geitenoren, de geitenneus, de zwarte strepen en de korte horens die als omgekeerde hoofdletters J op het voorhoofd staan. De gems knabbelde aan plantjes tussen steenslag. Daarna sprong hij op een wal van gras en verdween hij onder de sparren en in de mist. Wat lager krabbelde nog een gems omhoog en daar weer onder lag nummer drie te luieren.

De meeste af- en aansjokkenden keken naar ons. Maar niemand kwam kijken naar wat wij zagen. Daarvoor zou je een grote verrekijker moeten plaatsen met een gleuf waarin een euro past.