Beren op de weg

Kleine beer rups. Foto Koos Dijksterhuis
Kleine beer rups. Foto Koos Dijksterhuis

De kleine beer is een mooie, rode nachtvlinder met een vachtje in zijn nek. Hij wordt in kleur en omvang ruim overschaduwd door zijn neef de grote beer, en daarom lees je nooit wat over hem. Behalve hier en nu dan.

Kleine beren vliegen vooral in augustus rond, in kleinere aantallen in april en soms ook even in oktober. Ze leven in duinen en tuinen, bossen en heiden. Ze lurken de nectar van jacobskruiskruid en zetten eitjes af op kruiskruiden en enkele andere planten en struiken, zoals de kardinaalsmuts. Daar knagen de rupsen aan. Als die ooit genoeg hebben gegeten, gaan ze op stap. Met hun berenvacht golven ze over de grond, op zoek naar een plekje om te overwinteren en te verpoppen. Wie er vroeg bij was, kan nu nog even als vlinder verschijnen, maar de meeste kleine beerrupsen wachten daarmee tot de lente.

Op warme herfstdagen trekken de rupsen er wel eens op uit; misschien is er nog wat te snacken, misschien is er een betere schuilplaats, maar vooral willen ze een plekje om te zonnebaden. Ze hebben daarom een voorkeur voor kale grond en ik zag er een op een fietspad waar ik vaak wandel. Dat fietspad is een slagveld voor warmtezoekend en overstekend gedierte. In het wegdek gewalste dieren worden wel roadpizza genoemd, wat je zou kunnen vertalen als asfaltpannenkoek, maar wat ik aan platgereden kikkers, padden, salamanders, rupsen, slakken en muizen aantref, haalt het formaat pizza of pannenkoek niet. Asfaltpoffertjes.

Terwijl de rups van de kleine beer op een blaadje gedirigeerd en naar het hoge gras achter de berm werd verhuisd, passeerden er diverse fietsen en twee wandelaars. Die laatsten vroegen: ‘red je daar een dier?’ Ik zei: ‘Een rups.’ ‘Goed bezig!’

De reddingsactie had waarschijnlijk geen zin. De rups had juist dat fietspad gekozen om van de zon te genieten en hobbelde vast en zeker weer terug. Misschien moet er een bord komen: ‘overstekende beren’.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 10 november ’21)