Bastaardsatijnrups

© Koos Dijksterhuis, Bastaardsatijnvlinder (Euproctis chrysorrhoea)

Op het strand van Schiermonnikoog kroop een prachtige rups door het mulle zand. Hij probeerde een kniehoog duintje te bedwingen. Iedere stap omhoog rolde hij met korrels en al weer terug. Hij was ver van de duinen, maar misschien kon hij doorworstelend binnen een dag of twee het helmgras of de zeeraket halen, even verderop. Dochter knielde en stak een helpende hand toe. De rups richtte zich kwaad op, dochter deinsde terug. Het was een bastaardsatijnrups, wiens lange haren behoorlijk kunnen irriteren. Niet dat dat erg is, als je maar van zo’n rups afblijft.
Ik moet oppassen met zo’n stukje, voor je het weet hebben we een nieuwe plaag verzonnen om in blinde paniek tegen uit te rukken. Amerikaanse vogelkers, bereklauw, Jakobskruiskruid en ambrosia, eikenprocessierups, teek en faraomier: we lopen voortdurend gevaar!  De bastaardsatijnrups moet er op internet al aan geloven (hij zou een plaag zijn, gevaarlijk voor mens en boom). En toch is het een prachtige rups. Oranje is niet mijn lievelingskleur, maar dat kon de rups niet weten. Dochter wist hem met een stokje naar een plant te brengen. Het had een duindoorn moeten zijn, bastaardsatijnrupsen zijn dol op duindoorn. Misschien komen ze daarom aan de kust voor, al lusten ze ook eik, beuk en braam. Bramen zijn er veel in de duinen: dauwbramen. Meidoorns ook. In de herfst en winter zie ik de spinsels waarin de rupsen overwinteren. De duindoorns overleven het al jaren. Als de rups van dochter het ook overleeft, verpopt hij zich deze maand om in juli als bastaardsatijnvlinder te verschijnen: een roestbruin lijf met korte, spierwitte vleugels.